Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 12.

B

Een buitenlandsche wet kan de krachtens de Nederlandsche wet bestaande rechtsmacht van den Nederlandschen rechter niet opheffen.

Rb. Maastricht 3 Febr. 1916 N. J. 1916 p. 222. — Vgl. ook Rb. Breda 28 Nov. 1916 W. 10073, N. J. 1917 p. 140 (implicite over de jurisdiktie). Intusschen leidde Rb. Haarlem 11 Febr. 1908 P. v. J. 719 haar op ons wetboek van B. Rv. steunende competentie ten onrechte hieruit af dat § 29 der Duitsche Z. P. O. niet uitsluitend den rechter van den „Erfüllungsort" bevoegd maakte (vgl. noot Suppl. bij R. O. 2e ged. p. 26).

Niboyet in S. et P. 1924. 1. 73—74, noot op Cass. 22 Jan. 1923, spreekt van een verwijzing der buitenlandsche wet, welke de inlandsche rechterlijke competentie regelt, ten opzichte van de competentie des rechters van een anderen Staat. Maar zulk een verwijzing zou rechtens geen effekt hebben, omdat (afgezien van een verdragsbepaling hieromtrent) een Staat niet de rechtsmacht van een hem vreemden rechter kan vestigen. Dit was over het hoofd gezien in de overwegingen van Hof Montpellier 1 Maart 1922 1. 1. p. 75 kol. 1.

Bij Hoofdstuk VI (Gezag van geicyjsde der beslissing over 's rechters competentie).

P. 12, no. 1, al. 1. — Zie over de gebondenheid der administratie aan de rechterlijke beslissing over de competentie der rechterlijke macht Stein, Grenzen (boven bij Inl. p. 5 no. 1 geciteerd) p. 72 v. o. —73. Vgl. op art. 1 R. O., D no. 1.

P. 12, no. 1, al. 2. De tweede zin der tweede alinea behoort bij no. 2.

P. 13, no. 2 i. f. Gaüpp-Stein, zie Stein-Jonas, 12e dr. p. 58—59. — Toevoeging: Hof Noord-Holland 2 Jan. 1862 W. 2378 nam aan dat de incompetentie van den Kantonrechter ingevolge diens vonnis vaststond en leidde daaruit de gewaagde gevolgtrekking af dat een desniettemin bij de Rechtbank opgeworpen exceptie van onbevoegdheid als niet voorgesteld moest worden beschouwd,

Sluiten