Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 20.

jurisdiktie, vgl. Hellwig, Sysl. I p. 61—62; J. W. 1924 p, 960; Schlegelberger, Ges. F. G. 3e di'. (1927) p. 246—252.

P. 20, no. 13, al. 1 i. f. — Toevoeging: in den zin van het arrest H. R. van 1881, ook ten aanzien der absolute competentie van den rechter tot een benoeming, Hoogger. Hof N.-Indië 7 Febr. 1907 Ind. W. v. h. R. 2277, geciteerd door Stibbe in W. 9429 p. 8.

De Hooge Raad is voor een geval van relatieve incompetentie op zijn meening van 1881 teruggekomen bij arrest 15 Nov. 1912 W. 9425 (met noot E. M. M.), evenals het arrest a quo boven bij Inl. p. 5, no. 2 geciteerd. De Hooge Raad heeft toen zelfs verplicht geacht ambtshalve terzijdestelling der onbevoegdelijk gegeven beschikking. Voor de nietigheid dier beschikking kan worden aangevoerd dat de wet bij de regeling der relatieve competentie vaak hiervan uitgaat dat enkel de rechter, die op de hoogte is van de lokale omstandigheden, de juiste beschikking kan geven. — De argumenteering van Meijers in zijn noot is m. i. onvoldoende. Ziet b.v. art. 561 Rv. niet enkel op het bevel van den competenten rechter? En wat bewijst een speciale wetsbepaling als art. 644 Rv. voor gevallen, waarop zij niet toepasselijk is? Ook ism.i. aan Meijers niet toe te geven dat ter zijde moeten worden gesteld de gevallen, waarin wegens het ontbreken der vereischten, die de wet voor het geven eener beschikking stelt, deze beschikking niet kon (lees: niet behóórt te) worden uitgevoerd, al is het mogelijk die gevallen afzonderlijk te beschouwen. Of zulk een geval zich voordoet, kan overigens juist twijfelachtig zijn (vgl. de zaak voor Rb. 's-Hertogenbosch van 1899). — Zie nog hierna bij Inl. p. 452 en vgl. Suyling, Inl. I, 2, 2e dr. p. 303—804. — Kirberger in Tijdschr. voor Pr.r., Not. en Fisc.recht 1 (1900) p. 108—109 huldigt de leer van het arr. H. R. van 1881.

P. 21, reg. 10—12 v. b. — Het arr. H. R. van 4 Juni 1880 is hier inzoover ten onrechte vermeld, dat het niet de wettig-

Sluiten