Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 21.

heid der benoeming zelf betrof, maar die der beëediging voor den Kantonrechter, geschied ondanks een verzuim door de Rechtbank gepleegd ter gelegenheid der benoeming, omtrent welk verzuim de Hooge Raad aannam dat het geen nietigheid der beëediging meebracht; vgl. Inl. p. 449 (b) en noot.

P. 21, reg. 16 v. b. — Het vonnis Rb. Zutphen van 19 Jan. 1905 is op hier niet ter zake dienend motief vernietigd door Hof Arnhem 17 Jan. 1906 W. 8402, W. P. N. R. 1885. Meijers geeft de strekking dezer twee beslissingen in W. 9425 p. 4 (3) min nauwkeurig weer.

P. 21, al. 1 i. f. Het arrest H. R. van 9 Febr. 1906 verwierp de cassatie tegen Hof 's-Hertogenbosch 16 Mei 1905 W. 8247.

P. 21, reg. 3 v. o. — Na „den H. R." in te voegen: in 1881 (vgl. Inl. p. 449 noot).

P. 22, reg. 4 v. b. — Na „rechter" in te voegen: Yoor het geval dat de belanghebbende nog in beroep kan gaan van de beschikking, is die opvatting, behalve door Meijers 1.1., die jurisprudentie daaromtrent vermeldt, ook aangenomen door Rb. Maastricht 12 Maart 1925 W. 11355. Zie echter het hierna bij Inl. p. 452, reg. 4 v. b., op dit punt aangeteekende.

Bij het Inl. p. 21—22 gezegde is in het oog te houden dat het voornamelijk betrekking heeft op de. gevallen, waarin onwettigheid der in aanmerking komende daad haar nietigheid van rechtswege meebrengt, wat bij ambtsdaden in het algemeen niet de regel is, doch wèl als het de competentie voor de daad betreft. Hieromtrent vgl. de nader bij Inl. p. 472 noot 2 i. f. te vermelden litteratuur. Daarvan ten aanzien der competentie in anderen zin dan zooeven is aangenomen, Andersen p. 67 v. o.—68 jis p. 101—108.

P. 22, no. 13 i. f. — Bij de litteratuur nog te voegen: Hellwig, Syst. I p. 61—62. — Bloote overwegingen aangaande de competentie in een beschikking van voluntaire jurisdiktie

Sluiten