Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 22.

1924 p. 542, een onderzoek naar de competentie niet meer aan de orde achtend bij een vordering tot ontbinding, nu uit eischers productie bleek dat de coritractueele verhouding vóór de dagvaarding was beëindigd, zoodat de vordering niet ontvankelijk was. Dat punt mocht eerst ter sprake komen na vastgestelde competentie; voor de toepasselijkheid van art. 39 no. 3 R. O. doet het niet af of eischer ten onrechte een nog bestaand contract heeft gesteld.

1 A. De rechter mag zijn competentie niet in het midden laten. Geldt dat ook bij toepassing van art. 19 Rv.? Implicite ontkennend Rb. Amsterdam 5 Mei 1916 W. 9938, N. J. 1916 p. 940.

1 B. Oordeelt een rechter in appèl dat de lagere rechter zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard en dat een ander rechter bevoegd was, dan moet hij niet, gelijk Rb. Middelburg 22 Dec. 1915 W. P. N. R. 2438 heeft gedaan, ook zich zelf onbevoegd verklaren, waaruit zou volgen dat hij het vonnis a quo niet zou mogen vernietigen, doch met vernietiging van dat vonnis den lageren rechter incompetent verklaren. Zie in dien zin concl. O. M. vóór H. R. 17 Nov. 1916 W. 10260, N. J. 1916 p. 1304, W. P. N. R. 2459.

P. 22, no. 2 i. f. — Art. 247 lid 2 Sv. 1886, zie nu art. 423 lid 2. — Toevoeging: vgl. nog Red. R. Mag. 1914 p 225 ji3 p. 223—225; v. S(looten) in W. P. N. R. 2350 p. 24. Yoor Duitschland en Oostenrijk zie Hellwig, Syst. I p. 132—136; Petschek in Zeitschr. f. d. Priv. u. öff. Recht... 38 p. 322— 323, 330.

Bij Hoofdstuk VIII (Gedeeltelijke incompetentie).

P. 23, no. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. naar aanleiding van artt. 262 en 266 oud B. W., Rb. Amsterdam 3 Jan. 1919 W. 10428 p. 4 kol. 2—3, N. J. 1920 p. 176; Rb. 's-Gravenhage 25 Juli 1919 W. 10578 p. 4 kol. 2 v. b. Ingevolge de wet van 1921

Sluiten