Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 27.

Rb. Middelburg s. d. R. B. 1847 p. 225 (als Rb. Tiel 26 Dec. 1856, zie Inl. p. 27), terwijl in appèl Hof Zeeland 27 Okt. 1846 R. B. 1847 p. 229 twee hoofdvorderingen aanwezig achtte.

P. 27, no. 9 i. f. — Na „art." in te voegen: 42 no. 5a. Insgelijks Rb. Zutphen 14 April 1921 W. 10723 aangaande een vordering, strekkende 1° tot ontbinding der huur en ontruiming, 2° tot schadevergoeding van meer dan f 200, 3° tot betaling van ruim f 45 wegens geleverd hout. De Rechtbank achtte zich en niet den Kantonrechter bevoegd voor de vordering in haar geheel, die zij kennelijk als een eenheid beschouwde en die zij niet splitste. Wat punt 3 betreft, gaf zij als motief dat dit met punt 2 moest worden samengeteld als gecumuleerde vorderingen (d. w. z. vorderingsrechten). Ygl. R. O. vóór art. 38 p. 241 v. b. en in no. 5a op art. 42.

P. 27, no. 10, reg. 3 v. o. — Na „hebben" in te voegen: Ygl. Hof 's-Gravenhage 23 Juni 1916 W. 10086 (zie R. O. vóór art. 38 p. 242 v. b. ja p. 243 v. o.) en Rb. Roermond 20 Mei 1915 N. J. 1915 p. 1013, een vordering voor de competentie splitsend, op grond dat was geëischt hetgeen zou zijn verschuldigd aan eischer 1° als rechtverkrijgende van hem, die met gedaagde had gecontracteerd en 2° krachtens een overeenkomst van eischer zelf met gedaagde. De Rechtbank overwoog dat die twee gronden met van denzelfden aard zijn. Het door het Arnhemsche Hof in 1901 aanvaarde kenmerk, enz. (zie Inl. p. 27 reg. 2—1 v. o.).

P. 28, reg. 9 v. b. — Gaüpp-Stein, zie Stein-Jonas, 12e dr. I p. 654-657.

P. 28, reg. 12 v. b. — Na „hierna" in te voegen: C nos. 15—19 (vgl. aldaar nos. 20 en 21).

10 A. Van de beantwoording der vraag, wanneer één en wanneer meer vorderingen zijn ingesteld hij dezelfde dagvaarding, hangt het af of er sprake kan zijn van splitsing en van gedeeltelijke onbevoegdheid, wat slechts denkbaar is bij één vordering in formeelen zin. Daarom kon aan beide niet worden

Sluiten