Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 28.

gedacht door Hof 's-Gravenhage 26 Febr. 1925 W. 11600, R. B. A. 15 p. 3, nu dit arrest, anders dan het vonnis a quo (zie W. 1. 1.), aannam dat samentelling der bedragen niet tot het aannemen van één vordering moest doen besluiten, daar elk bedrag op een afzonderlijken grond rustte (waarvan één: arbeidscontract).

P. 29, no. 12, reg. 3 v. o. — Na „alsmede" in te voegen: C no. 5c.

P. 29, reg. 2 v. o. — Gaupp-Stein, zie Stein-Jonas, 12e dr. I p. 40 v. o.—41, p. 427 (III0, al. 2), p. 655 (B).

P. 29, no. 12 i. f. — Toevoeging: Wat de appellabiliteit betreft vgl. H. R. 15 Febr. 1918 W. 10242 (met noot 1 H. d. J.), N. J. 1918 p. 385, W. P. N. R. 2536, de vordering splitsend in een deel, waarop een niet appellabele beslissing was gegeven (bezitsvordering) en een deel (eisch tot schadevergoeding) waarvoor de beslissing vatbaar was voor hooger beroep.

P. 30, no. 14, reg. 3. — Na „door" in te voegen: Hof NoordHolland 6 Mei 1858, boven bij Inl. p. 26 no. 6 geciteerd en door

P. 30, no. 14, reg. 4. — Na „O. M.)" in te voegen: laatstbedoeld arrest.

P. 30, reg. 10 v. o. — Na „consequentie" in te voegen: (in bovenvermeld arrest Hof Noord-Holland van 1858 aanvaard).

P. 30, reg. 4 v. o. — Na „gebracht." in te voegen: De Hooge Raad spreekt in dit arrest eerst van de vorderiw^, strekkende tot 1° en tot 2°, daarna echter van de vordering tot 2° en van de vordering tot 1°, ingesteld tegelijk met die van 2° (dus splitsing), om dan te concludeeren tot bevoegdverklaring des Kantonrechters voor de ingestelde vorderiw^, zoodat de Hooge Raad wel in zijn motiveering splitste, maar niet bij zijn beslissing over de competentie. — In gelijken zin als de Hooge Raad, voor een vordering, deels vallende onder art. 39 no. 3, deels onder art. 38 no. 1 R. O., Rb. Amsterdam 5 April 1912, waarbij vgl. Rb. Amsterdam 16 Maart 1917 (zie voor

Sluiten