Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 30.

beide vonnissen boven bij Inl. p. 25, no. 6). Verder als de Hooge Raad, Ktg. Grave 14 Juni 1841 W. 223.

P. 31, reg. 1 v. b. — Na „geëischt" in te voegen: Anders Ktg. Amsterdam 2 Maart 1921 R. B. A. 10 p. 23.

P. 31, reg.2v. b. —Gaupp-Stein,zieStein-Jonas, 12edr.Ip.50(11°).

P. 31, n°. 15. — Gaupp-Stein, zie Stein-Jonas 1. 1., respektievelijk p. 426 vv., 654 vv., 180—182.

P. 31 reg. 2 v. o. — Na „nader" in te voegen: C no. 18 j° no. 19.

P. 31, no. 16 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog Dalloz, boven bij Inl. p. 24, no. 4, geciteerd. — Als voorbeeld van een geval waarin, zonder verband met competentie of appellabiliteit, splitsing irrationeel werd geacht, vgl. Rb. 's-Hertogenbosch 10 Juni 1921 N. J. 1922 p. 1071.

Bij Hoofdstuk IX (Incompetentie en niet-ontvankelvjkverUaring).

P. 32, no. 1. — Bij de litteratuur te voegen: Star Busmann, Hoofdstukken no. 125. Vgl. nog du Mosch in W. 10334 p. 4 kol. 1, beantwoord door L. v. Praag in W. 10342 p. 4.

P. 32, no. 2. — Art. 354 lid 2 Sv. 1886 is niet overgenomen in Sv. nieuw.

P. 32 reg 3 v. o. — Na „beroep" in te voegen: Vgl. H. R. 11 Mei 1908 W. 8712, R.spr. 209 § 9, P. v. J. 846.

P. 32, reg. 2 v. o. — Schrap: (nu art. 354 lid 2).

P. 33, reg. 2 v. b. — Na „onbevoegdheid" in te voegen: Vgl. H. R. 15 Maart 1920 (geciteerd R. O. art. 99 F no. Sb).

P. 33, al. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog concl. O. M. vóór H. R. 23 Maart 1925 W. 11379, N. J. 1925 p. 710.

P. 33, al. 2 i. f. — Toevoeging: Naar aanleiding van art. 354 Sv. 1886 vgl. nog H. R. 17 Juli 1908 W. 8751, R.spr. 209 § 57, P. v. J. 783 en daartegen Red. in W. 8753 p. 3, die meent dat er toen niet was een vraag van relatieve competentie, wat echter juist de kwestie was, al was er veel te zeggen voor haar beantwoording in den zin der Redaktie.

2 A. H. R. 15 Juni 1886 W. 5313, R.spr. 143 § 31, v. d. Hon. Sr.

Sluiten