Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 83.

1886 p. 145 was iraplicite van oordeel dat niet-ontvankelijkheid van het 0. M. in de strafvervolging op grond dat de verdachte krachtens het betrokken uitleveringsverdrag niet mocht worden terechtgesteld voor een ander misdrijf dan dat, weswege hij was uitgeleverd, den rechter niet mag leiden tot een onbevoegdverklaring. Vgl. Hof Noord-Holland 1 Nov. 1875 W. 8923, P. v. J. 1875 Hoofdbl. 45 (43, 44). Het Hof verklaarde het 0. M. niet ontvankelijk èn den rechter onbevoegd. Het tegen dat arrest ingestelde beroep in cassatie verwerpend overwoog H. R. 7 Fe'or. 1876 W. 3966, R.spr. 112 § 4, v. d. Hon. Sr. 1876 p. 13, dat het Wetboek van Sv. niet was geschonden door de niet-ontvankelijkverklaring. M. i. had het Hof gelijk, omdat de Nederlandsche rechter geen jurisdiktie heeft voor het delikt van een uitgeleverde, waarvoor deze ingevolge verdrag in Nederland niet mag worden terechtgesteld. Ygl. den aanhef van no. 3 (Inl. p. 33) hoofdstuk XIV no. 16 (en het hierna daarop aangeteekende), hoofdstuk XXI no. 12.

P. 34, reg. 1 v. b. i. f. in te voegen: H. R. 12 Nov. 1919 P. V. 1919 p. 353; Hof Amsterdam 19 Juni 1908 W. 8784; 13 Jan. 1905 W. 8346 (vgl. Hof Amsterdam 21 Febr. 1922 W. 10896: met de bewering van onbevoegdheid van den appèlrechter en die van niet-ontvankelijkheid van het hooger beroep is hetzelfde bedoeld).

P. 34, al. 1 i. f. — Toevoeging: vgl. het boven bij Inl. p. 32 vermelde arr. H. R. van 11 Mei 1908. Verder zie S. in W. 2544 p. 4; L. v. Praag in W. 10342 p. 4 noot 1. Vgl. nog H. R. 15 Febr. 1918 W. 10253, voorlaatste overweging, en daarop de noten 1—2 H. d. J.

P. 34, al. 2. — Hof Noord-Brabant 18 Jan. 1859 betrof een benoeming door een Rechtbank, waarbij het O. M. niet had deelgenomen aan de beraadslaging. — In deze al. 2 (reg. 4 v. o.) staat: „op art. 2 R. O. sub C § 2", lees: op art. 95 R. O. no. 2 (p. 548 v. o.). Toevoeging: Tegenover de opmerking dat volgens het Hof de Hooge Raad toch bevoegd was krachtens

Sluiten