Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 45.

28 A. Hof Amsterdam 24 Mei 1918 W. 10278, heeft, na te hebben aangenomen dat het door eischer verlangde verbod niet mocht worden gegeven, hieruit afgeleid incompetentie van den Voorzitter der Rechtbank, in plaats van niet-ontvankelijkheid der vordering.

28 B. Rb. Maastricht 26 Febr. 1852 W. 1332 hield de rechterlijke macht voor onbevoegd bij een vordering, strekkende tot een bevel, dat volgens haar alleen het administratief gezag mocht geven (vgl. op art. 2 R. O., D no. 1 c).

28 C. Zie voorts voor een bezitsvordering Rb. Leiden 7 Aug. 1849 W. 1047, voorzoover de incompetentverklaring der rechterlijke macht hiermee werd gemotiveerd dat de eisch strekte tot 'het buiten effekt stellen eener administratieve handeling.

P. 46, reg. 16 v. b. — Na „R. O." in te voegen: F. in no. 2 (p. 75-76).

P. 47, no. 29 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog de motiveering der onbevoegdverklaring van Hof Noord-Brabant 24 Dec. 1839 R.spr. 4 § 61 en het hierna bij Inl. p. 52, no. 39, te vermelden vonnis Ktg. Schiedam van 5 Dec. 1905 W. 8503.

29 A. In de ongevallenrechtspraak was C. R. 5 Okt. 1909 C. Org. 6 p. 544, W. R.spr. Soc. Yerz. 1909 no. 42 (6°), met vernietiging van Raad van beroep Rotterdam 9 Juni 1909 C. Org. 1. 1. p. 545, W. R.spr. Soc. Verz. 1.1. (5 ), van meening dat deze Raad van beroep, die had overwogen niet bevoegd te zijn in te grijpen in de wijze van geneeskundige behandeling door een operatie te bevelen en die de daartoe strekkende vordering had ontzegd, zich onbevoegd had moeten verklaren. De C. R. verklaarde zichzelf onbevoegd tot kennisneming. Echter steunde de competentie van den Raad van beroep op artt. 1 en 77 Beroepswet 1902 in verband met de Ongevallenwet. De C. R. liet zich verschalken door de dubbelzinnigheid van het woord „bevoegd" (vgl. mijn Voorrede p. XI).

P. 47, no. 30, reg. 8. — Na „Grw." in te voegen: 1887

30 A. Rb. Amsterdam 24 Juni 1910 W. 9177, achtte art. 285c

Sluiten