Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■Dij

P. 47.

B. W. toen niet toepasselijk (op grond waarvan het is gecasseerd door H. R. 31 Aug. 1910 W. 9060, R.spr. 215 § 54) en zag, van dit standpunt terecht, hierin geen reden voor incompetentie van den Kantonrechter.

30 B. Rb. Leeuwarden 17 Maart 1910 W. 9053, W. P. N. R. 2129, besliste dat, als art. 373 (nu 371) B. W. niet toepasselijk is, de Kantonrechter zich terecht onbevoegd verklaart te voldoen aan een verzoek tot het toeleggen eener jaarlijksche uitkeering in gemeld artikel bedoeld, en dat hij niet op dezen grond het verzoek had moeten afwijzen, omdat het artikel voor het daarin vermelde geval den Kantonrechter bevoegd verklaart tot toelegging. Maar al kan men zeggen dat de Kantonrechter competent is voor de toelegging, de bedoeling van het artikel is aan te geven in welk geval de toelegging mag worden verleend. Derhalve is het woord „bevoegdheid" daar niet gebezigd in den zin, waarin het staat tegenover de b.v. in art. 99 lid 2 R. O. bedoelde onbevoegdheid van den Kantonrechter, maar in den zin, waarin diezelfde bepaling spreekt van de bevoegdheid van den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad.

30 C. Rb. 's-Gravenhage 23 Maart 1920 W. 10699 verklaarde eischer niet-ontvankelijk in een (subsidiairen) eisch tot benoeming van deskundigen ter begrooting van de schadevergoeding ingevolge de Distributiewet 1916. Die eisch verlangde een daad van voluntaire jurisdiktie, waartoe de wet den rechter geen opdracht gaf. Hier vielen incompetentie en nietontvankelijkheid samen (vgl. Inl. III no. 3).

P. 48, reg. 17 v. b. — Na „R. O." in te voegen: D. no. 21a in verband met R. Mag. 1922 p. 34.

P. 48, reg. 16 v. o. — In plaats van „nu art. 167", lees: art. 167 Grw. 1887, nu art. 168.

P. 48, reg. 12 v. o. — In plaats van „3 en 12", lees: 2, verwijzing naar Themis 1920, alwaar zie p. 194 noot 154 i. f.

P. 48, reg. 3 v. o. — Na „69" in te voegen: Ygl. ook Carp in

Léon's Rspr., II, 1, r. O., s. 3

Sluiten