Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•BIJ

P. 52.

Themis 1917 p. 359. Dit arrest nam incompetentie der rechterlijke macht aan wegens haar onbevoegdheid tot onderzoek der zuiver praejudicieele vraag naar de wettigheid van een Kon. Besluit van Lodewijk Napoleon. — Vgl. nog de argumentatie der Redaktie in G.st. 1781 p. 3 kol. 3.

P. 52, no. 40, aanhef. — Yoeg in: Rb.

P. 53, no. 41. — Toevoeging: Zie H. R. 27 Juni 1913 W. 9779, N. J. 1913 p. 861, in cassatie van Hof 's-Gravenhage 28 Juni 1912 W. 9358, waarbij vgl. het vonnis a quo, Rb. Middelburg 15 Maart 1911 W. 9160. Hof en Rechtbank waren het eens over de competentievraag, niet over de ontvankelijkheid der hoofdvordering, doordat zij verschillend oordeelden over de rechtmatigheid van het gelegd beslag. De Hooge Raad achtte het beslag gedeeltelijk wèl, gedeeltelijk niet rechtmatig gelegd en hief het dan ook gedeeltelijk op, met niet-ontvankelijkverklaring der hoofdvordering voor dat deel. — Zie voorts Hof 's-Gravenhage 15 Okt. 1923 W. 11196.

42 A. Aangaande het tegen een eisch tot schadevergoeding wegens onrechtmatige inbreuk op eischers oktrooirecht aangevoerd beroep op de nietigheid van het oktrooi zie Rb. Breda 21 Dec. 1926 W. 11745, N. J. 1927 p. 778, welk vonnis uit artt. 54 en 56 lid 3 Oktrooiwet (tekst Stbl. 1921 no. 1150) de uitsluitende bevoegdheid der Haagsche Rechtbank afleidde voor de beoordeeling van het bestaan van het recht op oktrooi, ook als daarover incidenteel is te beslissen. Dit vonnis is bevestigd door Hof 's-Hertogenbosch 17 April 1928 W. 11900, N. J. 1929 p. 99. — Daar de wet in dit geval een vordering tot nietigverklaring wil, kan men hieruit afleiden dat een exceptie, die zich op de nietigheid beroept, niet ontvankelijk is.

P. 53, reg. 9 v. o. — Na „inlijving" in te voegen: vgl. Inl. p. 229, b.

P. 54, al. 2. — Hoogger. Hof 's-Gravenhage 17 Maart 1837 Het Regt in Nederland 1 p. 141, bevestigend Rb. Arnhem 15 Okt. 1834 1. 1. p. 142.

Sluiten