Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jölj

P. 66.

P. 66, no. 58 i. f. — Toevoeging: Hof Amsterdam 22 April 1927 W. 11668; Rb. Almelo 13 Juni 1923 W. 11097; Rb. 's-Hertogenbosch 21 Febr. 1919 W. 10495, N. J. 1919 p. 830; Rb. Leeuwarden 21 Maart 1918 N. J. 1918 p. 1147; Rb. Zutphen 11 Mei 1922 W. P. N. R. 2892. — Vgl. hierna bij Inl. p. 67, no. 59.

P. 67, reg. 11 v. b. — Na „H. R.'' in te voegen: het toenmalige

P. 67, no. 59 i. f. — Toevoeging: Verder de niet-ontvankelijkverklaring door H. R., twee arresten van 23 Mei 1913 W. 9516 p. 1 en p. 2, N. J. 1913 p. 745, het eerste arrest casseerend Hof's-Hertogenbosch 4 Juni 1912 W. 9429, het tweede Hof Amsterdam 28 Juni 1912 W. 9394, W. P. N. R. 2242, waarbij was bekrachtigd Rb. Amsterdam 24 Juni 1910, vermeld in Resol. Min. v. Fin. van 9 Sept. 1910 Besliss" in belastingzaken 3 no. 844. Vgl. behalve deze Resolutie ook die van 13 Juni 1907 1. 1. 1 no. 347. Anders dan de H. R. in 1913 meende de Minister wegens de geschiedenis van het toenmalige art. 15 lid 6 dat het een kwestie van competentie was. Evenals de H. R. nog Rb. Amsterdam 3 Juni 1908 Besliss" 1. 1. 2 no. 510 en Rb. Dordt 27 Jan. 1897 W. 6959, P. v. J. 1897 no. 24. Vgl. Rb. Arnhem 8 April 1904 W. 8100. — Vgl. nog boven bij Inl. p. 64, no. 56, al. 2.

P. 67, reg. 10 v. o. —Na „i. f." in te voegen: der toen nog geldende

P. 67, reg. 3 v. o. — In plaats van „vestigt", lees nu: vestigde.

P. 68, no. 60 i. f. — Toevoeging: Bij dit no. 60 vgl. no. 55. De wet op de Rekenkamer van 1841 is vervangen door de Comptabiliteitswet van 21 Juli 1927 Stbl. 159. Bij artt. 53 en 60 der wet van 1841 vgl. artt. 66 en 72 der wet van 1927.

61 A. Uit art. 81 Ongevallenwet volgt de niet-ontvankelijkheid eener op art. 96 dier wet berustende vordering tegen den Staat in het geval dat de Rijksverzekeringsbank de uitbetaling der voor eischer vastgestelde rente niet zonder meer heeft geweigerd.

Ktg. 's-Gravenbage 26 Juni 1925 W. 11403.

Sluiten