Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 72.

H. R. 7 Mei 1915 W. 9828, N. J. 1915 p. 794, W. P. N. R. 2385, leidde uit art. 2 R. 0. af de ontvankelijkheid der vordering tot herstel in den vorigen toestand van een perceel, in welks bezit eischer stelde door gedaagde ten onrechte te zijn gestoord. Dit op overweging dat de competentieopdracht van art. 2 inhoudt opdracht tot het geven van de beslissingen, die de wet stelt ter beschikking der rechterlijke macht. Dit laatste is m. i. juist (zie Inl. XIX no. 9) en niet in strijd met de scheiding tusschen incompetentie en niet-ontvankelijkheid, waaruit echter wel volgt dat de competentie niet insluit de ontvankelijkheid van elke vordering tot een speciaal van de rechterlijke macht gevraagd bevel. De competentie zou een wassen neus zijn als de stelling van het arrest van 1915 niet opging. Daarom is ook het Inl. p. 72 no. 68 i. f. vermelde arrest H. R. van 1902 te verdedigen, al motiveerde de Hooge Raad toen zijn beslissing anders dan in 1915. — Vgl. nog v. Schaik (Inl. p. 155 geciteerd) p. 212—214, 227 v. b., 327 328. Diens kritiek is in beginsel juist, maar niet steeds toepasselijk op de door hem besproken jurisprudentie. Zie ook Vitringa's aankondiging dier dissertatie in W. B. A. 2995.

68 A. Uit de bepaling op de relatieve competentie van art. 344Ö B. W. leidde Rb. Utrecht 9 Okt. 1913 N. J. 1913 p. 1210 af dat zij incompetent was, nu het betrokken kind vóór de dagvaarding was overleden, zoodat er geen sprake kon zijn van een rechter der woonplaats van het kind. M. i. terecht. Maar de Rechtbank overwoog ook dat de paterniteitsvordering enkel kon worden ingesteld bij het leven van het kind, dus niet voor onderhoud gedurende het leven van het vóór de dagvaarding overleden kind. Dit punt nu betrof de ontvankelijkheid der vordering, voor welke m. i. de in art. 97 of 126 Rv. aangewezen rechter in zulk geval competent is, terwijl uit art. 344a B. W. de niet-ontvankelijkheid is af te leiden.

P. 72, reg. 2 v. o. — Na „daarover" in te voegen: S. M. in Opm. en Med. 7 p. 168-170; H. L. Asser, De rechterlijke

Sluiten