Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 72.

bevoegdheid van den Kantonrechter (1899) p. 121—124.

P. 73, no. 70 i. f. — Toevoeging: Ktg. IV Amsterdam 18 Mei 1855 R. B. 1855 p. 296 overwoog dat art. 41 R. O. niet derogeert aan de bepalingen van het B. W. over het bewijs.

P. 73, no. 71. — Art. 153 Grw. 1887, nu art. 154. — In plaats van „C § 2" lees: C no. 2 (verwijzing).

P. 73, no. 72 i. f. — In plaats van „54 R. O.", lees: en no. 5 op art. 54 no. 3 R. O., verwijzing naar Inl. XIII no. 30 (p. 146), voorts O no. 5c en no. 7 vóór art. 38 (p. 207 v. o. en p. 212).

P. 74. 76 A. H. R. 17 Mei 1918 W. 10282 p. 1—2, N. J. 1918 p. 634 nam aan dat een, door Rechtbank en Hof als exceptie van onbevoegdheid aangemerkt, beroep op een overeenkomst tot berechting van zekere geschillen door een bepaalde buitenlandsche Rechtbank, metterdaad is een middel van niet-ontvankelijkheid en de door den Nederlandschen rechter in dat geval uitgesproken onbevoegdverklaring in werkelijkheid een niet-ontvankelijkverklaring der vordering.

76 B. Naar aanleiding van het beding van arbitrage zie hierna no. 82. — Is laatstbedoeld beding door beide partijen zelf ter zijde gesteld, dan — zoo overwoog Rb. Alkmaar 24 Dec. 1925 "W. 11536 — heeft de rechterlijke macht te beslissen over de vordering, waaruit volgt dat, heeft de rechter zich in dat geval onbevoegd verklaard, daarmee een niet-ontvankelijkverklaring moet zijn bedoeld. - Echter zou deze laatste dan even verkeerd zijn als de onbevoegdverklaring. M. i. was er geen reden de door de Rechtbank bij den Kantonrechter onderstelde bedoeling aan te nemen.

76 C. Naar aanleiding van een arbeidscontract zie Rb. Zutphen 25 Juni 1925 W. 11473, R. B. A. 14 p. 34.

P. 74, no. 77 i. f. — Toevoeging: Zoo ook de concl. O. M. vóór H. R. 23 Maart 1925 W. 11379, N. J. 1925 p. 710.

P. 75, reg. 2 v. b. — In plaats van „competentie", lees: incompetentie.

Sluiten