Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 75.

P. 75, reg. 4 v. b. — In plaats van „op art. 2 R. O.", lees: Inl. p. 212.

P. 75, no. 78 i. f. — Toevoeging: Zie ook, behalve Rb. Nijmegen 23 Sept. 1854 W. 1579, H. R. 28 Jan. 1926 W. 11461, N. J. 1926 p. 259, met noot E. M. M. p. 261. Deze acht het arrest (waarvoor vgl. boven no. 23 C) formeel juist, maar meent dat die van 26 April 1918 W. 10275, N. J. 1918 p. 587 en van 17 Mei 1918 (zie boven no. 76 A) praktischer zijn. De concl. O. M. vóór H. R. 21 Mei 1926 (in no. 82 te citeeren) vat het arrest van 28 Jan. 1926 evenzoo op als Meijers. Wel zeide dit arrest dat er een geschil was over de uitgesproken onbevoegdverklaring, ook als deze was gevolgd op een verweer, concludeerend tot niet-ontvankelijkheid. Maar daar de onbevoegdverklaring volgens den Hoogen Raad terecht kon zijn geschied, volgt uit de motiveering van het arrest van 28 Jan. 1926 m. i. niet dat, gelijk Meijers meent, de Hooge Raad zich toen op een ander standpunt heeft gesteld dan in 1918. De gedaagde, die van niet-ontvankelijkheid sprak, had m. i. gelijk, maar de Hooge Raad kan in gedaagdes conclusie een bedekte exceptie van incompetentie hebben gelezen. — In het zooeven genoemde arrest van 21 Mei 1926 beriep de Hooge Raad zich op art. 333 Rv. om voor art. 358 te beslissen als hieronder in no. 82 wordt vermeld.

P. 75, no. 79, al. 1 i. f. — Toevoeging: Ingelijks in appèl van dit vonnis van 1906 uitdrukkelijk Hof 's-Gravenhage 16 Dec. 1907 W. 8636, P. v. J. 748. Vgl. nog Rb. Rotterdam 20 Maart 1912 W. 9407, N. J. 1913 p. 297. — Ktg. Leeuwarden 2 Okt. 1915 R. B. A. 7 p. 6 legde een exceptie van niet-ontvankelijkheid, hierop steunend dat de rechter zeker praejudicieel geschilpunt niet zou mogen beoordeelen, ten onrechte uit als een exceptie van incompetentie.

P. 75, no. 79 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog Hof's-Hertogenbosch 25 Juni 1907 W. 8692, P. v. J. 705; Rb. Breda 25 Okt. 1927 W. 11816, N. J. 1928 p. 1391 (in welke zaak de voorgestelde

Sluiten