Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 75.

exceptie van incompetentie in werkelijkheid was een exceptie van niet-ontvankelijkheid, die echter ook als zoodanig niet opging); Ktg. III Amsterdam 9 Dec. 1909 W. 8962.

80. Het niet volgen van den weg bij korporatief reglement voor de berechting van geschillen aangewezen, gepaard met het instellen eener vordering bij de rechterlijke macht, is als een reden voor incompetentie dier macht aangenomen door Hof 's-Gravenhage 12 Nov. 1915 W. 9902, terwijl het vonnis in eersten aanleg, Rb. Rotterdam 4 Juni 1914 W. 9717, N. J. 1914 p. 1226, er een reden tot niet-ontvankelijkverklaring in zag.

81. De opdracht eener beslissing bij collectief arbeidscontract aan een commissie maakt de rechterlijke macht niet onbevoegd voor de bij haar aangebrachte vordering, doch die vordering niet ontvankelijk.

Rb. Amsterdam 15 Jan. 1926 W. 11527, N. J. 1926 p. 1199.

82. a. Een arbitraal beding heeft niet de onbevoegdheid der rechterlijke macht ten gevolge, maar de niet-ontvankelijkheid der bij haar in strijd met dat beding aangebrachte vordering.

H. R. 21 Mei 1926 W. 11528 (met noot S. B.), N. J. 1926 p. 822 (contra O. M.); 6 Nov. 1925 W. 11448 p. 1—2 (met noot S. B. contra), N. J. 1925 p. 1293 (met noot T. p. 1295). Vgl. Rb. Leeuwarden 4 Juni 1925 W. 11414 (met noot W. N.), N. J. 1926 p. 137. Tegen W. N.'s noot Stheeman in W. 11425 p. 4. Vgl. A. R. 85 p. 1 en Losecaat Vermeer in N. J.bl. 1 p. 153—154, 158. — Rb. Zwolle 7 April 1926 N. J. 1927 p. 225 volgde den Hoogen Raad. Vroegere jurisprudentie pro en contra is geciteerd in A. R. 59 p. 4 en 60 p. 4; vgl. nog Hof's-Gravenhage 7 Jan. 1924 W. 11164; Rb. Amsterdam 13 Maart 1925 N. J. 1925 p. 790 en 28 Nov. 1924 N. J. 1925 p. 366; Rb. Dordt 12 Dec. 1923 W. 11161; Rb. 's-Gravenhage 17 Nov. 1925 W. 11529, N. J. 1928 p. 466 en 8 Mei 1923 N. J. 1923 p. 1300 (met noot T.); Rb. 's-Hertogenbosch 12 Juli 1923 W. 11140,

Sluiten