Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 82.

de toelaatbaarheid eener vordering tot vergoeding der schade door de ontbinding te lijden vgl. concl. O. M. vóór H. R. 21 Juni 1912 W. 9362 p. 2, R.spr. 221 § 30 en vóór H. R. 28 Dec. 1917 W. 10218, aldaar ook noot B. A. D. F. — Vgl. nog Rb. Almelo 1 Febr. 1911W. 9189. — Wat betreft een vordering tot ontruiming naast die tot ontbinding van het contract, waarop de bewoning van een huis steunde, zie Ktg. Alkmaar 14 Okt. 1910 W. 9175, R. B. A. 3 p. 49. Vgl. Hof Arnhem 25 Juni 1913 W. 9545, N. J. 1913 p. 1057.

P. 82, no. 8 i. f. is te lezen: vóór art. 38 R. O., C no. 54. — Toevoeging: Bij het Amsterdamsche vonnis van 1905 vgl. Rb. Breda 13 Okt. 1903 W. 8044, welk vonnis ten opzichte van een vordering tot schadevergoeding van f 200 ;,voorzooveel noodig" met ontbinding der overeenkomst, eerst sprak van een accessoire vordering tot schadevergoeding, doch later van een accessoire vordering tot ontbinding. Het een zoowel als het ander is onjuist. Ingesteld was 1° een vordering tot schadevergoeding en 2° voorwaardelijk een vordering tot ontbinding (de voorwaarde was: als de rechter dit noodig achtte voor de toewijzing der eerste vordering).

P. 82, no. 9 i. f. — Toevoeging: Vgl. H. R. 29 Jan. 1909 W. 8812, R.spr. 211 § 13, P. v. J. 831, over den accessoiren aard van den in art. 741 lid 1 i. f. j° art. 746 Rv. omschreven eisch tot schadevergoeding, bestaande in het voldoen der schuld, waarvoor beslag is gelegd, ingeval de derde beslagene niet voldoet aan zijn hoofdverplichting tot verklaring (en afgifte). De Hooge Raad leidde dien accessoiren aard af uit het exceptioneele karakter van den hier bedoelden eisch tot schadevergoeding, waardoor deze geheel ondergeschikt is aan de hoofdvordering tegen den derde beslagene tot het verkrijgen van behoorlijke verklaring en afgifte.

Anders dan de Inl. in no. 9 gegeven voorstelling is die der concl. O. M. vóór H. R. 3 Dec. 1909 W. 8940 p. 1 kol. 1, R.spr. 213 § 27, P. v. J. 903. Noyon zegt daar: de vordering

Sluiten