Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 88.

19 A. De bij een eisch in appèl ter vernietiging van een vonnis, dat appellant heeft veroordeeld tot afgifte van zeker voorwerp, gevoegde vordering tot teruggaaf van dat voorwerp, door appellant ter voldoening aan bedoeld vonnis aan den geïntimeerde afgegeven, is niet een van den eisch tot vernietiging van het vonnis zelfstandige [lees: onafhankelijke] vordering.

H. R. 20 Maart 1913 W. 9496, N. J. 1913, p. 636, hiermee implicite beslissend dat het een accessoire vordering was.

P. 88, no. 20. — Land, nu 2e dr. II p. 8.

P. 89, no. 21 i. f. — Toevoeging: Aangaande Noyon's opvatting van het begrip „accessoire vordering" zie boven bij Inl. p. 82, no. 9 i. f. Uit het vereischte dat partijen in hoofd- en accessoire vordering dezelfde zijn, volgt dat de vordering van art. 344f B. W., ingesteld tegelijk met die van art. 344a, een zelfstandige en niet een accessoire is; vgl. Hof Leeuwarden 18 April 1928 W. 12013, N. J. 1930 p. 74 (mede te vermelden bij art. 54 R. O., B no. 9).

Moet, als tot het instellen der hoofdvordering verlof van den rechter noodig is, worden verlangd dat de accessoire vordering op gelijk verlof steunt? Hof 's-Gravenhage 5 Dec. 1910 W. 9108 (sprekend van „sequeel", wat kennelijk hetzelfde beteekent als accessoire vordering) antwoordde bevestigend. Deze vraag van formeel recht betreft overigens niet het begrip accessoire vordering zelf.

§ 2 (Incompetentie voor de lioofdvordering).

P. 89, reg. 4 v. o. — Het daar bedeelde wetsontwerp is in 1928 ingetrokken.

P. 90, al. 2 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog Rb. Rotterdam 7 Dec. 1874 R. B. 1875 D p. 61, P. v. J. 1875 Bijbl. 2, welk vonnis zich echter niet beriep op het accessoir karakter der vordering tot schadevergoeding.

P. 90, reg. 10 v. o. — Na „R. O." in te voegen: C. no. 10,

Sluiten