Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 90.

verwijzing naar R. Mag. 1922, alwaar zie p. 27 ja p. 19 noot 1; vgl. nog op art. 2 G no. 10 P. 90, reg. 3 v, o. — Na „R. O." toe te voegen: G. no. 21 P. 91, no. 23 i. f. —Toevoeging: Insgelijks Rb. Maastricht 7 Juni

1866 W. 2841, G.st. 789 P. 91, no. 24 i. f. - Toevoeging: Zie voor Oost-Indié Raad v. Jast. Soerabaja 2 Maart 1927 Ind. T. v. h. Recht 126 p. 421. — Voor Duitschland: RG. 16 Jan. 1920 E. Z. S. 98 p. 40(44); 12 Maart 1909 1. 1. 70 p. 395.

26 A. In gelijken geest als Inl. nos. 23—26 voor het geval dat een bepaalde tak der rechterlijke macht onbevoegd is voor de hoofdvordering, H. R. 10 Jan. 1868 W. 2972, R.spr. 88 §4, v. d. Hon. B. R. 32 p. 122 en het vonnis a quo, Rb. Middelburg 24 Maart 1867 R. B. 1869 p. 63. Ygl. Rb. Arnhem 17 Jan. 1856 W. 1743, R. B. 1856 p. 620 (toen was er echter in werkelijkheid slechts één vordering ingesteld). Zie voorts Ktg. Groningen 1 Mei 1922 N. J. 1922 p. 770; Ktg. Schiedam 9 Aug. 1864 W. 2615. Zoowel in deze zaak als in die van 1867—1868 was het accessoir karakter der vordering betwistbaar; voor die van 1864 op den grond vermeld Inl. p. 81, voor de andere, omdat men kan zeggen dat een recht op schadevergoeding niet afhankelijk is van dat op herstel in den vorigen toestand. P. 91, reg. 6 v. o. — Na „kosten" in te voegen: vgl. Hof Arnhem

25 Juni 1913 W. 9545, N. J. 1913 p. 1057 P. 91, reg. 4 v. o. — In plaats van: „fonds", lees: fond P. 92, reg. 6 v. o. — Na „Kantongerechtsprocedure" in te voegen: Zoo ook H. R. 11 Maart 1920 W. 10553, N. J. 1920 p. 471 en S. B. in W. 10508 p. 1, die jurisprudentie vermeldt, welke ook later is gevolgd (anders Ktg. Rotterdam 15 Juli 1914 W. 9770, N. J. 1914 p. 1318). Zie, mede voor deze jurisprudentie, v. Rossem (Inl. p. 92 geciteerd), 3e dr. p. 300 v. o—302, in no. 5 op art. 141.

P. 93 § 3 (Competentie voor cle hoofdvordering).

P. 93, no. 28, reg. 3. - In plaats van: „§ 8", lees: §§ 7 en 8

Sluiten