Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 101.

zooeven geciteerde Amsterdamsche vonnis van 1922,Pres.Rb. Amsterdam 12 Okt, 1925 W. 11460 (met noot W. N. daartegen) (1).

(1) Zoowel voor het. Inl. no. 42 als voor de in de dan volgende nos. bedoelde gevallén volgt de jurisprudentie, die aanneemt dat hoofdvordering en vordering tot vanwaardeverklaring niet altijd door éénzelfden rechter zijn te berechten, twee verschillende wegen, als de beslissing op de hoofdvordering nog niet is gewezen tijdens de uitspraak op den eisch tot vanwaardeverklaring en de rechter meent dat deze laatste zal zijn toe te wijzen, indien eischer gelijk krijgt bij de beslissing op de hoofdvordering. Dan wordt namelijk óf A de vanwaardeverklaring voorwaardelijk (al dan niet alternatief) gegeven óf B de beslissing aangehouden. Zie voor methode A: Rb. Amsterdam 11 Maart 1927 W. 11664, 9 Febr. 1925 N. J. 1925 p. 544; Rb. Haarlem 10 Nov. 1925 N. J. 1926 p. 481 (de hoofdvordering was aanhangig te Amsterdam); Rb. Rotterdam 29 Juni 1925, U Juli 1923, 13 April 1922 (anders 30 Jan. 192;)) en Rb. Zutphen 26 Febr. 1925, alle boven geciteerd. Voor methode B (aanhouding): Hof 's-Hertogenbosch 2 Jan. 1924 W. 11171, N. J. 1924 p. 310 (beding berechting door vreemden rechter); Rb. Rotterdam 3 April en 17 Maart 1916, boven geciteerd, 17 Febr. 1915 W. 9846, N. J. 1915 p. 844, 26 Okt. 1910 (hierna no. 49 G); Bb. Utrecht 17 Nov. 1926 N. J. 1927 p. 572, 11 Febr. 1925 N. .1. 1926 p. 473 (de hoofd vorderingwas bij die Rb. aanhangig). Tegen de methode van aanhouding, met bevestiging van Rb. Haarlem 29 Juni 1915 N. J. 1915 p. 1056, llof Amsterdam 16 Febr. 1917 W. 10127 p. 2—3, N. J. 1917 p. 1035 (met beroep 1° op art. 4/ i. f. Rv., doch vgl. de methode gevolgd door Rb. Maastricht 9 Nov. 1916 N. J. 1917 p. 925, 2° op de waarborgen, die de wet bij de conservatoire beslagen verlangt, echter zonder te bewijzen dat aanhouding met die waarborgen strijdt, terwijl toch rekening is te houden met de belangen van heide partijen, en 3° op het ontbreken eener regeling van uitstel in de wet, wat m. i. niet beslissend is). Zie voorts Pres. Rb. Amsterdam 25 Okt. 1920 W. 10663, die er niet aan schijnt te hebben gedacht dat b.v. ook eerbiediging van het. gezag van gewijsde van een vroeger vonnis insluit dat de rechter van het tweede proces de beslissing in het eerste proces aan eigen oordeel ten grondslag legt (vgl. ook noot 1 W. N. in W. 10663). Art. 254 Rv. staat m. i. buiten de kwestie: het heeft enkel betrekking op schorsing gedurende den loop van het geding, dus vóórdat dit in staat van wijzen is, terwijl art. 255 lid 1 alleen ziet op de gevallen van art. 254. — Het in het slot der noot van S. B. in W. 11883 gezegde steunt, op de praemisse dat de twee vorderingen er éénc zijn (vgl. hierna bij Inl. p. -102). — Tegen aanhouding tot na beslissing der hoofdzaak bij bindend advies Rb. Utrecht 28 Dec. 1921 W. 10927.

Sluiten