Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 104.

P. 104, reg. 1. v. o.—p. 105, reg. 1 v. b. —v. Rossem, zie 2e dr. II p. 363 v. o.

P. 105, reg. 12 v. b. — Na „1894" ia te voegen: In dien geest ook Rb. Rotterdam 8 Dec. 1913, bij Inl. p. 102 geciteerd. Aangaande Rb. Rotterdam 26 Okt. 1910 zie hierna no. 49 C.

P. 106, reg. 9 v. b. — v. Rossem, zie 2e dr. II p. 333. — Na „738)." in te voegen: Zoo ook H. R. 24 Dec. 1915 W. 9938, N. J. 1916 p. 417, W. P. N. R. 2440, de cassatie verwerpend tegen Hof Amsterdam 30 Nov. 1914 W. 9791, N. J. 1915 p. 154, in appèl van Rb. Amsterdam 9 Maart 1914 W. 9686, N. J. 1914 p. 1047; Rb. Middelburg 18 Jan. 1922 W. 10860, N. J. 1923 p. 567. Vgl. Jitta, Int. priv.r. p. 638—639.

P. 106, reg. 13 v. b. — Na „derden-beslag" in te voegen: Ygl. mede over art. 770 lid 2 Rv. de zooeven geciteerde beslissingen van 1914 en 1915.

P. 107, no. 47, aanhef. — Bij „beslissingen" een noot: Hierbij zijn nog te voegen die van 1914, boven bij Inl. p. 106 vermeld.

P. 108, no. 48, al. 1. — v. Rossem, zie 2e dr. II p. 333 noot 4.

P. 108 v. o.—p. 109. — De daar voorgestane toepassing van art. 738 j° 126 (waarbij art. 314 is te voegen), die mede geldt voor art. 757B lid 4 Rv., is m. i. te verkiezen boven de reeds lang en ook nu nog in de jurisprudentie door verschillende rechterlijke colleges (vgl. onlangs Rb. Amsterdam 15 Juni 1928 N. J. 1928 p. 1536) gehuldigde uitlegging van art. 738 lid 1, als zou die bepaling slechts willen uitsluiten de competentie van den rechter der woonplaats van den schuldenaar. Ygl. de Inl., no. 42 geciteerde jurisprudentie en litteratuur. Noch met de woorden noch met de geschiedenis van art. 738 is die zeer vrije uitlegging te verdedigen. Overigens komt men meestal tot hetzelfde resultaat bij de door mij voorgestane leer. Vgl. Rb. Dordt 22 Juni 1921 N. J. 1922 p. 1134, de motiveering van Rb. Rotterdam, vonnissen van 22 Sept. 1916 N. J. 1917 p. 251, van 12 Maart 1926 W. 11565, N. J. 1926 p. 918 en van 7 Okt. 1927 W. 11774, N. J. 1928

Sluiten