Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vy

P. 108.

p. 539; Rb. Roermond 29 Okt. 1925 W. 11527, N. J. 1926 p. 978; Rb. Tiel 18 Dec. 1925 W. 11475 (vgl. Rb. Utrecht 15 Maart 1922 W. 10896). Zie nog Rb. Amsterdam 9 Maart 1914 en de uitlegging door Hof Amsterdam 30 Nov. 1914 aan dat vonnis gegeven (beide beslissingen boven bij Inl. p. 106 geciteerd); Jitta, Int. priv.r. p. 638—639; Blote in W. P. N. R. 2835 p. 223 kol. 1; Verstegen, noten in W. 10877 op Rb. Rotterdam 13 April 1922. — De door v. Rossem, B. Rv. 2e dr. II p. 333 verkondigde zienswijs, die onderscheidt tusschen de absolute en de relatieve competentie, doet art. 738 geen geweld aan. Want men kan dat artikel lezen als een korte samenvatting der regeling van beide, als stond er: de Rechtbank en wel die van het arrondissement, waarin hij woont. Woont de schuldenaar niet in Nederland, dan is, al zou de hoofdvordering naar art. 38 R. O. bij den Kantonrechter behooren, toch krachtens art. 738 Rv. de Rechtbank competent voor de vordering tot vanwaardeverklaring, ook als de hoofdvordering mede is ingesteld, hoewel de waarde der geheele vordering niet wordt verhoogd door den eisch tot vanwaardeverklaring (R. O. 2e ged. p. 258—260). En daar de relatieve competentie in het zooeven onderstelde geval niet in art. 738 wordt geregeld, moet daarvoor art. 126 worden toegepast. Meent men echter dat art. 738 niet mag worden gesplitst in twee regelingen, ééne voor de absolute en ééne voor de relatieve competentie, dan is bij verwerping der met den tekst van het artikel strijdende uitlegging, die vele colleges volgen, in het geval dat de hoofdvordering niet meer dan f 200 bedraagt, de Kantonrechter bevoegd, óók voor de personeele accessoire vordering tot vanwaardeverklaring (R. O. 2e ged. p. 326, no. 25). Anders echter is het, als een der artt. 39—42 R. O. toepasselijk is op de hoofdvordering, omdat die artikelen den eisch tot vanwaardeverklaring niet mede omvatten, zoodat daarvoor in het hier onderstelde systeem art. 53 zou gelden. — Vgl. nog Pres. Rb. Rotterdam 26 Maart 1929 W. 12018, N. J. 1930 p. 138.

Sluiten