Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

Pag. 109.

P. 109, reg. 10 v. o. — Na „128" in te voegen: (vgl. R. Mag. 1928 p. 347 v. o.—363).

P. 110, reg. 8 v. b. — Bij „verschuldigd" een noot: Ygl. Rb. Amsterdam 9 Maart 1914 en Hof Amsterdam 30 Nov. 1914, boven bij Inl. p. 106 geciteerd; Rb. Rotterdam 7 Okt. 1927 en Jitta, beide boven bij Inl. p. 108 geciteerd.

P. 110, reg. 17 v. o. — Bij „volgen" een noot: In dien zin Rb. Maastricht 22 Juli 1908 W. 8768.

P. 111, reg. 9 v. b. — Na „wenschelijk" in te voegen: Ygl. o. a. H. L. Asser (boven bij Inl. p. 72, reg. 2 v. o. geciteerd) p. 173—181.

P. 111, no. 48 i. f. — Toevoeging: Verder vgl. art. 8 i. f. wet 18 Mei 1929 Stbl. 251 (wet uitvoering verdrag met België over de territoriale bevoegdheid, enz.).

P. 112, al. 1 i. f. — Toevoeging: Ygl. nog Hingst in R, D. I. L. 1882 p. 423—424 (no. 70); Jitta, Int. priv.r. p. 165 v. o. en de daar in noot 2 geciteerde jurisprudentie.

49 A. Voor Hof 's-Hertogenbosch 2 Maart 1909 W. 8876 werd beweerd dat, nu in eersten aanleg een eisch tot vanwaarde verklaring van een derden-beslag was toegewezen en appellant (die bij de Rechtbank zich niet op de zaak zelf had verdedigd) bij het Hof vorderde vanwaardeverklaring van het beslag èn opheffing van dat beslag, het Hof op grond van art. 738 Rv. incompetent was voor den eisch tot opheffing. Het Hof nam aan dat het, als competent voor de hoofdvordering, dit ook was voor de accessoire vordering tot opheffing. M. i. sluit de vanonwaardeverklaring van een beslag in dat dit moet worden opgeheven en is voorts bij onjuist bevinden der door de Rechtbank uitgesproken vanwaardeverklaring, in de vernietiging daarvan reeds vervat de vanonwaaideveiklaring. Dit alles, onverschillig of appellant de vanonwaardeverklaring en opheffing uitdrukkelijk heeft gevorderd. De bevoegdheid van het Hof opheffing te gelasten vloeide in deze zaak vanzelf voort uit zijn taak van appèlrechter zonder dat

Sluiten