Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 112.

een anderen rechter bevoegd kan maken voor de hoofdvordering. Dan moet men bij den rechter van art. 767 vragen vanwaarde verklaring nadat de Rijnvaartrechter uitspraak zal hebben gedaan, daargelaten of men niet verwijzing naar den Rijnvaartrechter kan vragen wegens verknochtheid. Is er niet aldus gehandeld, dan moet de rechter van art. 767 zich onbevoegd verklaren voor de hoofdzaak en den eisch tot vanwaardeverklaring afwijzen.

Rb. Rotterdam 26 Okt. 1910 W. 9243, N. J. 1914 p. 380, W. P. N. R. 2305. — Op een volkenrechtelijke regeling mag de nationale wet geen uitzondering maken zonder volkenrechtelijke machtiging, in het algemeen ook dan niet, als die regeling van later datum is dan de wetsbepaling (vgl. nu art. 13a A.B. en ook -mijn Juridiction p. 67—68). Maar het Rijnvaartverdrag wijst niet zelf den competenten rechter aan, doch laat die aanwijzing over aan de wet, ook voor de hoofdvordering. Daarom kan men de beslissing der Rechtbank aangaande de onbevoegdverklaring voor de hoofd vordering bestrijden en vragen, of er reden is met het oog op de wet van 1869 Stbl. 139 een ander stelsel te huldigen dan onze jurisprudentie doet in het geval dat de'hoofdvordering tot een arbeidscontract betrekkelijk is. Ygl. het boven bij Inl. p. 105 vermelde Rotterdamsche vonnis van 1913, dat insgelijks naar aanleiding van art. 767 Rv. is gewezen, zonder ook toen te overwegen dat dit artikel niet de strekking had een uitzondering te scheppen op de latere bepaling der wet van 1907. — Overigens heeft het vonnis van 1910 niet miskend dat de Rijnvaartregeling de competentiebepaling van art. 767 voor de vordering tot vanwaardeverkla-

ring overlet laat.

49 D. Art. 1241 B. W. behelst een speciale bepaling aangaande de rechterlijke bevoegdheid voor een accessoire vordering tot doorhaling eener hypothekaire inschrijving. Zie hieromtrent Hof Amsterdam 6 Maart 1908 W. 8718, bevestigend Rb. Amsterdam 20 Jan. 1905 W. 8268—8269.

Sluiten