Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 115.

van het Inl. p. 114 vermelde arrest Hooge Raad van 1896, H. R. 26 April 1918 W. 10276 p. 1 kol. 1—3, N. J. 1918 p. 589 en het arrest a quo, Hof Amsterdam 25 Mei 1917 W. 10135, N. J. 1917 p. 1038; Hof Amsterdam 26 Mei 1922 W. 10936 en 28 Dec. 1914 W. 9822, N. J. 1916 p. 18, beslissend dat, mits het vonnis op de hoofdvordering appellabel is, men ook in hooger beroep kan komen enkel van de beslissing aangaande de proceskosten. Zie nog implicite Hof 's-Hertogenbosch 13 Nov. 1906 W. 8592 en vgl. Hof Zuid-Holland 28 Sept. 1842 W. 329; Carré, Les lois de 1'organisation et de la compétence des juridictions civiles, uitg. Brussel, III (1826), p. 26—29 (quest. 292 en 293).

§ 7. (Verwijzing).

P. 115, no. 53. — Na „38 R. O." in te voegen: C nos. 22—26. — Na „56 lid 3 R. O." in te voegen: no. 1 § 8. (Opmerkingen).

P. 116, reg. 2 v. o.—p. 117, reg. 1 v. b. — v. Rossem, zie 3e dr. I p. 329—330, no. 4 op art. 158. Ygl. voorts, behalve Rb. Amsterdam 20 Maart 1908 W. 8852, Rb. Rotterdam 15 Nov. 1928 W. 11984, N. J. 1929 p. 250, Léon-De Jong, Suppl. 4, no. 19 en Léon-Lodder nos. 3, 6, 7 op art. 158 Rv.

P. 117, reg. 5 v. o. — Na „R. O." in te voegen: no. 5

P. 117, reg. 1 v. o. — Art. 153 Grw. 1887, nu art. 154.

P. 118, no. 55 i. f. — Art. 156 Grw. 1887, nu art. 157.

P. 118, no. 56, a i. f. — Toevoeging: Vgl. de behandeling door het boven bij Inl. p. 83, al. 1 en bij p. 114, no. 51 i. f. bedoelde arrest Hooge Raad van 1869 der accessoire vordering tot schadevergoeding. Voorts, naar het schijnt implicite, H. R. 29 Jan. 1909, boven bij Inl. p. 82, no. 9 geciteerd. Vgl. nog Meijers in W. P. N. R. 2243 p. 611 kol. 1 v. o. kol. 2. M. i. spreekt hij daar ten onrechte van „samenloop" van rechtsvorderingen. Gelijk hij zelf te kennen geeft, komt wat hij bedoelt neer op het toekennen aan éénzelfde (accessoire) rechtsvordering zoowel van een zakelijk als van een persoonlijk karakter,

Sluiten