Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 118.

indien dit laatste in eischers voordeel is. Met het stelsel onzer wet (art. 129 Rv.) is dat kwalijk overeen te brengen.

P. 118, reg. 3 v. o. — Bij „kend" een noot: Somtijds kunnen zij worden gezocht in de kans op tegenstrijdige beslissingen, zie de Fransche jurisprudentie bij D. P. 1916. J. 286, noten en het arrest aldaar, Cass. 12 Maart 1918, dat verknochtheid voldoende achtte. Dit echter enkel voor het geval dat de gewone rechter (de Rechtbank) bevoegd is voor de hoofd vordering en de exceptioneele rechter voor de accessoire vordering, ware deze zelfstandig ingesteld.

P. 119, no. 56, d i. f. toe te voegen: C. nos. 22—26.

P. 119, reg. 8 v. o. — Art. 153 Grw. 1887, nu art. 154.

Bij Hoofdstuk XII (Voortzetting eener vroegere procedure).

P. 120—121, nos. 1 en 2. — Bij die nos. vgl. H. R. 20 Juni 1924 W. 11258, N. J. 1924 p. 888: exéculion par suite d'instance. Zie H. R. 21 Febr. 1924 W. 11209, N. J. 1924 p. 485: de schadestaatsprocedure is slechts de tenuitvoerlegging van de uitspraak, houdende veroordeeling tot schadevergoeding. De Red. der N. J. 1. 1. meent, m. i. ten onrechte, dat met laatstbedoeld arrest van 1924 dat van 1913 (na te noemen) strijdt; als tenuitvoerlegging elke uitvoering van het vonnis omvat, kan men haar ook voortzetting van het proces noemen, vgl. den Franschen term. — Bij Inl. 1. 1. no. 2, lid 1 vgl. verder H. R. 21 Juni 1918 W. 10297 (met noot 1 H. d. J., die litteratuur vermeldt) en 12 Dec. 1913 W. 9604, N. J. 1914 p. 269 (litteratuur in de concl. O. M.); Hof Amsterdam 19 Dec. 1919 W. 10528, N. J. 1920 p. 424, 1 Febr. 1918 W. 10228; Hof Arnhem 24 Maart 1915 W. 9810, N. J. 1915 p. 581, waarbij vgl.de arresten van dat Hof van 2 Febr. 1916 W. 9944 en van 22 Jan. 1918 N. J. 1918 p. 410; Hof 's-Gravenhage 19 Dec. 1913 W. 9607, N. J. 1914 p. 124 en 17 Nov. 1913 N. .1. 1913 p. 1324 (het Inl. p. 121 vermelde arrest van dat Hof van 5 Febr. 1906 ook in P. v. J. 516); Hof Leeuwarden 9 Nov.

Sluiten