Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 120.

1921 W. 10797; Rb. Amsterdam 7 Dec. 1917 W. 10260 en

3 Dec. 1915 W. 9967, N. J. 1916 p. 195; Rb. 's-Gravenhage

4 Mei 1922 W. 11029; Rb. Rotterdam 12 Sept. 1928 W. 11903 p. 7 kol. 2—3 en 24 Maart 1919 N. J 1919 p. 953. Laatstbedoeld vonnis overwoog: hetzij men de beschouwing van den Hoogen Raad in 1913 of die in 1918 volgt, in geen geval is er een nieuw geding en daarop komt het aan voor competentie en appellabiliteit. Ygl. nog de door Rb. Zutphen 19 April 1921 W. 10721 gemaakte gevolgtrekking uit de beschouwing als voortzetting der vroegere procedure.

P. 121, reg. 9—10 v. b. en reg. 5—4 v. o. — Garsonnet, zie nu 3e dr. IV no. 2 p. 4—5, respektievelijk III no. 625 noot 6 p. 284—285, no. 621 p. 274—275.

P. 122, reg. 3—4 v. b. — v. d. Kemp, 5e dr. (Du Pui) p. 599.

P. 122, reg. 8 v. b. — In plaats van „no. 1", lees: no. 2. —Na „hiervóór" in te voegen: Is er in de vroegere procedure geen vonnis gewezen doordat de zaak van de rol is geroyeerd, dan zijn artt. 612—614 Rv. niet toepasselijk en geiden de gewone regelen van competentie; vgl. Ktg. 's-Gravenhage 6 Jan. 1868 W. 3005.

P. 122, reg. 13—12 v. o.: v. d. Does (4e dr.), nu Du Pui p. 600 v. o.—601 v. b.

P. 122, reg. 11 v.o.: „het genoemde werk", nu 5e dr. p. 600—601.

P. 122, reg. 7—6 v. o. — v. Rossem, zie 2e dr. I p. 211, II p. 215— 216, 3e dr. I p. 234.

P. 122, reg. 6 v. o. i. f. — Toevoeging: Vgl. voorts Rb. Amsterdam 24 April 1925 N. J. 1925 p. 801.

P. 122, reg. 1 v. o. — Na „no. 1" in te voegen: en de jurisprudentie op art. 435 Rv.; zie ook J. A. H. Coops, Grondtrekken van het Ned. Burg. Proc.recht le dr. (1927) p. 153—154.

P. 123, reg. 1 v. o. — p. 124, reg. 1—2 v. b. — v. Rossem, zie 2e dr. I p. 211 (met noot 4), II p. 223, 3e dr. I p. 234 (met noot 3). — Toevoeging: H. L. Asser (boven bij Inl. p. 72, reg. 2 v, o. geciteerd) p. 184—185 en Rb. Rotterdam 27 Febr.

Sluiten