Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 123.

1925 W. 11472, N. J. 1926 p. 1037: het geschil over de gegoedheid der borgen is ter competentie der Rechtbank.

P. 124, reg. 7 v. b. — v. d. Kemp, nu 5e dr. p. 591.

P. 124, no. 6 i. f. — Toevoeging: H. R. 21 Juni 1918 W. 10297 overwoog dat in Rv., boek II, titels 6 èn 7 een tweetal gevallen van exécution par suite d'instance worden behandeld. — Ygl. nog Hof Amsterdam 29 Febr. 1924 W. 11197, N. J. 1925 p. 28: niet appellabel is een vonnis der Rechtbank, gewezen op betwisting der zekerheid, waarvan het stellen door haar in hooger beroep was bevolen krachtens artt. 351 j° 54 Rv.

Bij Hoofdstuk XIII (Incidenten, inciclenteele vonnissen, inciclenteele vorderingen).

§ 1 (Opmerkingen).

P. 125, reg. 6 v. b. — Toevoeging: Vgl. de toelichting op het ontwerp Staatscommissie 1911 B. Rv. (1920) p. 127—128.

P. 125, no. 3. — Garsonnet, zie 3e dr. no. 621 p. 274. — GauppStein, zie Stein-Jonas, 12e dr. I p. 798—799.

P. 125, reg. 4 v. o. — Na „vonnissen" in te voegen: Een andere terminologie bezigt het boven vermelde ontwerp Staatscommissie 1911, boek I, tit. 7, art. 1 (74), vgl. de toelichting p. 65.

P. 125, reg. 1 v. o.—p. 126, reg. 1 v. b. — Gaupp-Stein, zie Stein-Jonas, 12r dr. I p. 784—785.

P. 126, reg. 7—8 v. b. — Garsonnet, nu 3e dr. III nos. 627— 628 p. 289—290.

P. 126, reg. 17 v. o. — Er staat: „artt. 54 no. 5, 69 en 95", lees: artt. 53 no. 11 en 95 no. 3.

P. 126, reg. 7 v. o. — Na „187" in te voegen: en Meijers in W. P. N. R. 2409 p. 114 kol. 1 noot 1.

P. 127, reg. 9 v. b. — Toevoeging: Zie verder H. R. 8 Dec. 1916 W. 10127 en de concl. O. M.; Hof 's-Gravenhage 31 Dec. 1917 W. 10250. — In W. 9838 p. 4 kol. 1 zegt Micheels dat tot een onderzoek of vonnissen, in de wet met eigen benaming aangeduid (die bij voorraad, eindvonnissen, incidenteele, provi-

Sluiten