Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 127.

die vraag ten opzichte van daden van voluntaire jurisdiktie, Japiot in Revue trim. de droit civ. 1912 p. 781, 782, 789—793 (daarbij is op te merken dat, als er nog handelingen te verrichten zijn, waarvoor een machtiging noodig is, intrekking der machtiging niet noodzakelijk meebrengt dat die intrekking terugwerkt voor de reeds te voren verrichte handelingen).

P. 128, tekst, reg. 11 v. o. i. f. toe te voegen: en R.Adv. 11 p. 144—145.

P. 128, noot. — Vgl. boven bij Inl. p. 89, reg. 4 v. o. Zie overigens W. P. N. R. 1950 p. 241 met verbetering in no. 1952 p. 278.

P. 129, al. 2. — Vgl. boven bij Inl. p. 89, reg. 4 v. o.

P. 129, tekst, reg. 1 v. o. i. f. — Hierbij een noot: H. R. 23 Juni 1916 W. 10005, N. J. 1916 p. 721, besliste dat de regel 1'interlocutoire ne lie pas (zie Inl. p. 127) is beperkt tot het bevel, bedoeld in art. 46 lid 3 Rv. en niet wegneemt dat een in hetzelfde vroegere vonnis gegeven eindbeslissing den rechter bindt, die haar gaf, dus ook (behoudens appèl van dat vonnis) den rechter, die in hooger beroep kennis neemt van het latere vonnis. Zie voorts de jurisprudentie, vermeld door E. M. M. in W. P. N. R. 2432 p. 383 kol. 1. Verder H. R. 5 Dec. 1919 W. 10518 (met noot 1 H. d. J.), N. J. 1920 p. 33 en H. R. 16 Febr. 1917 W. 10096, N. J. 1917 p. 306, de cassatie verwerpend tegen Hof 's-Gravenhage 9 Okt. 1916 W. 10019. — Eigenaardig was het geval, berecht door H. R. 24 Jan. 1929 W. 11951, N. J. 1929 p. 869, waarbij vgl. de noot P. S. p. 873. Hier was er niet een voorafgaand vonnis, maar het Hof had het interlocutoir bevestigd, hoewel zijn arrest afweek van de in dat interlocutoir vervatte eindbeslissing. De Hooge Raad achtte art. 1954 B. W. niet toepasselijk. Bij dit arrest van 1929 vgl. Hof Amsterdam 17 Jan. 1908 W. 8713: een interlocutoir, waarbij is aangenomen dat er wanprestatie was en dat partij dus bet contract niet heeft nageleefd, heeft op dit punt een den rechter bindende eindbeslissing gegeven.

Sluiten