Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 144.

overweging, als dit noodig is voor de berechting der te zijner bevoegdheid staande hoofdvordering (vgl. Inl. XIV en XV).

P. 144, reg. 7 v. o. — Na „278" in te voegen: Zie ook implicite Hoi Gelderland 23 Okt. 1844 Hertzveld, Onuitg. Regtspr. Hof G. p. 42.

P. 145, no. 28, reg. 4. — Na „27" in te voegen: en Rb. 's-Gravenhage 28 Juni 1921 N. J. 1922 p. 151. Vgl., naar aanleiding van art. 181 C. de proc. civ., Rb. Goes 20 Febr. 1837 Het Regt in Nederland 1 p. 183 (184).

P. 145, no. 28, reg. 6. — Na „Anders" in te voegen: Rb. Dordt 22 Sept. 1915 W. 9998, N. J. 1915 p. 1100, met beroep op artt. 74 „eigen regter") en 126 lid 14 Rv.; Rb. Haarlem 12 April 1921 W. 10837;

P. 145, no. 28, reg. 7—8. — v. Rossem, 3e dr. p. 155 v. o. — 156.

P. 145, reg. 1 v. o. i. f. — Toevoeging: Rb. Breda 3 Jnli 1917 W. 10232 en 10364, N. J. 1917 p. 1039, had betrekking op een incidenteel verzoek tot oproeping in vrijwaring, strekkend om de vordering in te stellen bij gelegenheid van en in verband met het geding over de hoofdzaak, welk geding stond ter competentie van scheidslieden. Om die reden verklaarde de Rechtbank zich onbevoegd voor hoofdzaak en incident.

P. 146. § 5 (Appellcibiliteit van vonnissen op incidenteele vorderingen).

P. 146, no. 29, reg. 5. — Na „hiervóór" in te voegen: Vgl. het Inl. p. 140 in no. 16 vermelde arrest Hof Noord-Brabant 17 Nov. 1840 aangaande de incidenteele vordering tot schadevergoeding wegens eischers ontkenning der echtheid van het bewijsstuk.

P. 146, reg. 2—1 v. o. — Garsonnet, 3e dr. VI no. 77 p. 136—137.

P. 148, reg. 1 v. o. — Toevoeging: In den.geest van het Inl. p. 147 vermelde arrest H. R. van 1899 overwoog Hof 's-Gravenhage 21 Nov. 1919 W. 10615 dat de vordering in vrijwaring naar eigen aard en strekking moet worden beoordeeld, onafhankelijk van de, zij het gelijktijdige, berechting der hoofdzaak,

Sluiten