Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 159.

p. 161, te vermelden arresten van 1916 en van 29 April 1926 heeft gewezen. Toch kon men uit de motiveering dier arresten afleiden dat de Hooge Raad waarschijnlijk het standpunt zou aanvaarden, dat hij bij zijn arrest van November 1926 inderdaad heeft ingenomen, al was dat nog niet zeker wegens de mogelijkheid dat de Hooge Raad zijn leer over „dezelfde zaak" (art. 1954 lid 2) ondergeschikt zou maken aan art. 1954 lid 1 in verband met het onderwerp der dagvaarding. Het is zeer de vraag of de Hooge Raad de lijn in het arrest van November 1926 gevolgd zoo zal doortrekken dat hij ook gezag van gewijsde erkent voor de beslissing op een praejudicieel geschilpunt die als voorwerp van een zelfstandig geding ratione materiae zou behooren tot de competentie van een ander rechter dan hij, die het vonnis heeft gewezen. Want dat doende zou de Hooge Raad in strijd komen met de ook door hem zelf aanvaarde, m. i. zoowel logisch juiste als praktisch wenschelijke leer, waarnaar 1° de bevoegdheid des rechters niet wordt bepaald door de zuiver praejudicieele geschilpunten, 2° de voor een geding bevoegde rechter alle hem niet onttrokken praejudicieele geschilpunten heeft te onderzoeken en 3° speciaal ook de competentie van den Kantonrechter invloed ondervindt van den omvang van het gewijsde der beslissing die hij zou hebben te geven. (Zie Inl. R. O. p. 192—194, 195 v. o.—196, 200—202 jis p. 175—176, 179-181; R. O. p. 354). Vroeger was de jurisprudentie van onzen H. R. niet steeds, enz. (zie Inl. p. 159 v. o.)

P. 160, reg. 8 v. b. — Bij „meen" een noot: Over termijnvorderingen vgl. Anema 1. 1. p. 353—354.

P. 160, al. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog de inkleeding der vierde oyerweging (lid 3 in verband met leden 1—2) van het arr. H. R. 11 Juni 1909 W. 8879, R.spr. 202 § 19.

P. 161, reg. 3 v. b. — Bij „staat" een noot: Vgl. E. M. M. in W. P. N. R. 2432 p. 383 kol. 2. De door hem vermelde jurisprudentie betreft echter enkel interlocutoire vonnissen.

Sluiten