Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 186.

rechterlijke behandeling streng van elkaar afscheidt. Dus mag het O. M. niet in zijn strafvordering niet-ontvankelijk worden verklaard op grond dat niet blijkt dat de administratieve behandeling geheel overeenkomstig de Leerplichtwet heeft plaats gehad.

H. R. 15 Jan. 1912 W. 9277, R.spr. 220 § 10; 11 Maart 1912 W. 9317, R.spr. 220 § 58, W. B. A. 3331.

Van het in art. 23 (nu 22) § 1 (1°) Leerplichtwet omschreven delikt is wel element het ambtshalve ingeschreven zijn, maar niet de wettigheid dier inschrijving, zoodat daarnaar de strafrechter geen onderzoek heeft te doen. Ygl. op dit punt de concl. O. M. vóór H. R. 2 Maart 1908 W. 8673, R.spr. 208 § 47, P. v. J. 769, argumenteerend in den geest van het Inl. p. 258 ja p. 185 vermelde arr. H. R. van 10 Maart 1902 betreffende de Drankwet, naar welk arrest de concl. O. M. verwijst.

15 B. Ten aanzien van artt. 40 j° 14 en 1—2 Woningwet 1901 Stbl. 158 (nu artt. 44 j° 17 en 1—2, tekst 1921 Stbl. 705) zie de concl. O. M. vóór H. R. 21 Juni 1909 W. 8895 op het zesde cassatiemiddel.

P. 186—187, no. 16. — Hierbij vgl., behalve de sedert verschenen litteratuur betreffende de uitlevering (gedeeltelijk vermeld hierna bij Inl. p. 189), mijn Juridiction et droit internat, public noot 836. Tegen Kohler in die noot geciteerd, zie Verzijl in W. 11443 p. 1 kol. 2.

P. 187, reg. 7 v. b. — Na „geest" in te voegen: H. R. 12 Jan.

1858 (zie p. 188 v. b.) en P. 187, reg. 17 v. b. — Na „XVI" in te voegen: no. 36 P. 187, reg. 10 v. o. — Bij „delikt" een noot: Struycken in Mededeelingen van de Ned. Vereenig. voor Internat. Recht no. 3 (1912) p. 6 wijst er op dat uitleveringsverdragen meermalen verwijzen naar de nationale wetten of, tengevolge der clausule van de meestbegunstigde natie, naar verdragen met andere Staten. — Men kan dan volhouden dat, al is zeker delikt niet in het uitleveringsverdrag zelf met name aangewezen, de

Sluiten