Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 187.

door Struycken bedoelde verwijzing naar een bepaling, die bet delikt wèl noemt, den toestand juridiek gelijk doet zijn aan dien van het geval dat het verdrag zelf het delikt met name aanduidt.

P. 189, reg. 4 v. b. — Na „nt. 1" in te voegen: Struycken in Mededeel" 1. 1. p. 1—14 en daarbij de debatten, no. 4 p. 34—63 ; J. C. G. Boot, Kan een uitgeleverde worden vervolgd, enz., diss. Leiden 1879 p. 22—37. Tegen Boot's argumentatie p. 33—34 is het Inl. p. 188 v. o. ja p. 187 v. o. gezegde aan te voeren. Vgl. verder L. v. Bar, Lehrb. des internat. Priv. u. Strafrechts (1892) p. 325—327; H. Kuschel, Der Grundsatz der Spezialitat..., diss. Breslau 1915 p. 18—27; E. Muller, Der Ausgelieferte vor dem Gerichte, diss. Miinchen 1887 p. 11—41; Fauchille, Traité de droit internat, public I, 1 (1922) no. 481; de door Diena in Revue générale de droit int. public 1909 p. 70—71 noot 4 geciteerden; A. Prudhomme, La loi territoriale, diss. Parijs 1910 p. 44—45, 54—56, 226-227, 235—236; M. Travers, Le droit pénal internat. V (1922) nos. 2274 (vgl. no. 2424), 2625—2636; Saint-Albin, L'extradition ... (1913) p. 892—898 jis p. 887—892, waarbij vgl. p. 818—823, 877—881. P. 189, reg. 4 v. b. i. f. — Na „XVI" toe te voegen: nos. 7 en 36a, d, j.

P. 190, no. 18. — Het in dit no. gezegde vervalt, zie Themis

1921 p. 390. In plaats daarvan komt: Ten aanzien der Kieswet van 1896 Stbl. 154 (toen tekst Stbl. 1901 no. 66, zie nu Stbl.

1922 no. 37) vgl. H. R. 8 Juli 1913 W. 9526 p. 2 kol. 1—2, N. .T. 1913 p. 870: de vraag of vóór en bij de vaststelling der kiezerslijst de administratieve voorschriften zijn in acht genomen, is niet aan het oordeel der rechterlijke macht onderworpen. — Er was geklaagd over het niet naleven van het thans vervallen art. 10 Kieswet tekst 1901. — Toevoeging:

18 A. Ten aanzien van art. 95 lid 1 Ongevallenwet, tekst 1921 Stbl. 819, zie Hof Arnhem 15 Febr. 1928 W. 11875, N. J. 1929 p. 805: uit die bepaling volgt dat de rechterlijke

Sluiten