Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 190.

macht niet heeft te onderzoeken of Rijksverzekeringsbank en Ongevallenrechter de verplichting tot een geschiede betaling hebben aangenomen.

P. 190, no. 19, al. 1. — Vgl. nog Bijl" Handel" Tweede Kamer 1914—1915 no. 47 (1°) § 10, p. 81-87.

§ 1. Afdeeling 5 (Litteratuur over de praejuclicieele geschillen).

P. 191, al. 1 i. f. — O. Mayer, 3e dr. I p. 178—179. Vgl. nog Strupp in A. ö. R. 27 p. 78—87 (die litteratuur en jurisprudentie vermeldt); Friedrichs in Annalen des Deutschen Reichs 1917 p. 410—413 jis p. 414—417.

P. 191, al. 2. — Garsonnet, 3e dr. I nos. 477, 479, 491 i. f., 493—502, p. 751—755, 756—757, 773, 775—789. — O. Mayer, 3e dr. p. 178 noot 13. — Toe te voegen: Hauriou, Précis de droit admin., lie dr. (1927) p. 957—958.

P. 191, al. 3. — Art. 6 Sv. 1886, nu art. 14. — In plaats van IX, lees: XV. *

§ 2. (Invloed derpraejudicieele geschilpunten op de competentie).

P. 191—192. — De letters A, B en C na de nos. 20, 21 en 22 zijn te schrappen. — Na no. 20:

P. 191 reg. 2 v. o. — Toevoeging: 20 A. Rb. Haarlem 16 Dec. 1919 N. J. 1920 p. 283 was van meening dat de Kantonrechter nooit bevoegd is voor een vordering tot veroordeeling in de kosten van een beweerdelijk onrechtmatig gelegd beslag, ook al wordt niet meer dan f 200 verlangd. Dit omdat de beslissing hierbij afhangt van die over de rechtmatigheid van het beslag en laatstbedoelde beslissing weer van die of het beslag kon worden vanwaardeverklaard, welke echter is ter uitsluitende competentie der Rechtbank. — Deze voorstelling is m. i. niet zuiver. Juist is dat de beslissing over de rechtmatigheid van het beslag behoort tot het voorwerp van het hier bij de dagvaarding verlangde vonnis. Zij hangt echter niet af van een hier niet gevraagde vanwaardeverklaring (is deze wèl gevraagd, dan hangt omgekeerd de beslissing daarop af van die over de bedoelde rechtmatigheid). Wel heeft een vordering

Sluiten