Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 195.

ook Rb. Arasterdam 11 Juli 1843 W. 423, R. B. 1844 p. 134, doch anders in cassatie H. R. 28 Juni 1844 W. 512, R.spr. 18 § 23, v. d. Hon. B. R. 5 p. 326, R. B. 1844 p. 617. — Na „In gelijken zin" in te voegen: als de hier eerstgemelde beslissingen

P. 195, al. 1 i. f. — Toevoeging: Zie voorts R. Adv. 9 p. 33—34. — Rb. Rotterdam 29 Juni 1921 W. 10781 en 10803, N. J. 1921 p. 1130 overwoog: de Kantonrechter, die competent is voor de ingestelde vordering, is ook bevoegd te beoordeelen of de daarbij gestelde [schuldvordering is te niet gegaan, b. v. door schuldvergelijking, ook al beroept gedaagde zich op een inschuld van meer dan f 200. Zoo ook Ktg. 's-Gravenhage 21 Juni 1843 W. 449, overwegend dat in dit geval de Kantonrechter naar die grootere inschuld slechts als een bewijsmiddel voor de schuldvergelijking onderzoek heeft te doen, zonder over het geheele bedrag dezer inschuld te beslissen. — Bij deze jurisprudentie vgl. Rb. Utrecht 28 Okt. 1925-N. J. 1927 p. 81: de exceptie van onbevoegdheid komt slechts te pas tegen een ingestelden eisch en kan geen betrekking hebben op een gevoerd verweer (hier op een beroep op tegenvorderingen, die volgens eischer bij scheidslieden behoorden te worden gebracht).

24. Naar aanleiding van art. 41 R. O. weigerde Rb. Amsterdam 13 Juni 1876 W. 4048 invloed op de competentie toe te kennen aan een door gedaagde opgeworpen praejudicieel geschilpunt betreffende een zakelijk recht. Anders Ktg. Amersfoort 5 Nov. 1875 W. 3936.

25. Voor de competentie der Rechtbank is het onverschillig of het voor haar beslissing noodig is dat de inhoud van een arbeidscontract wordt onderzocht.

Rb. Utrecht 20 Dec. 1922 N. J. 1923 p. 1276.

Bij Hoofdstuk XV (Taak van den competenten rechter ten opzichte der praejudicieele geschilpunten en zijn gebondenheid aan de beslissingen van anderen).

§ 1 (Die taak buiten strafzaken).

P. 196, al. 1 i. f. — Toevoeging: Zie nog b. v. Hof 's-Hertogen-

Sluiten