Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 225.

(met noot E. M. M.) ten aanzien van wijziging der statuten eischt, namelijk een redelijke beslissing der ledenvergadering (zie ook ten aanzien der opzegging door een lid van zijn lidmaatschap, H. R. 3 Mei 1928 "W. 11833, met noot Mff., N. J. 1928 p. 1454). Vgl. Themis 1920 p. 312-313 noot 163, p. 315—316 noot 165 en de in die noten vermelde jurisprudentie, waarbij te voegen Rb. Utrecht 26 Juni 1918 W. P. N. R. 2603; Ktg. Delft 10 Maart 1921 W. 10714. — Zie nog in den zin van het Arnhemsche Hof: Hof Leeuwarden 17 Juni 1908 W. 8857, gemotiveerd in den trant van het Amsterdamsche arrest van 1898, Inl. p. 223 vermeld, met bevestiging van Rb. Leeuwarden 16 Mei 1907 W. 8601; Rb. Amsterdam 30 Nov. 1927 W. 11752, N. J. 1928 p. 426, welk vonnis in de reglementaire bepaling, die van het royement van een lid beroep op de ledenvergadering geeft, uitsluiting der beoordeeling door de rechterlijke macht gelegen achtte. Voorts zie Rb. Dordt 30 April 1924 W. 11228, N. J. 1924 p. 776. — Raad v. Just. Soerabaja 4 Aug. 1926 Ind. T. v. h. Recht 127 p. 116 overwoog dat, tenzij dit door belanghebbenden is uitgesloten, het oordeel over de vraag of een bestuur, dat iemand uit zijn lidmaatschap heeft ontzet, daarbij de statuten heeft nageleefd, aan de rechterlijke macht is.—Bij deze jurisprudentie vgl. Kist-Visser, Beginselen van Handelsrecht 111,2 (1914) p. 602—603; M. Polak, Handb. Hand. en faill.recht, 4e dr. (1927) p. 474—475. — Zie nu art. 15 wet 28 Mei 1925 Stbl. 204.

P. 226, al. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. het ook daar bij p. 659 no. 61 a i. f. te vermelden vonnis Ktg. Leeuwarden van 2 Okt. 1915 R. B. A. 7 p. 6 betreffende een onduidelijke clausule in een arbeidscontract.

P. 226, reg. 6 v. o. i. f. toe te voegen: en H.

P. 227, reg. 1 v. o. — Na „G" in te voegen: (zie de verbetering van Inl. p. 240, hierna).

P. 228, al. 2, reg. 2. — Het woord „jongste" vervalt.

Sluiten