Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ÖLJ

P. 278.

zijn, maar ook vóór het vonnis zoo was als daarbij is uitgemaakt („zur Zeit jenes... Urteils gewesen ist"). — Ygl. nog M.-B. in Zeitschr. f. d. ges. Handelsr. 1913 p. 213—214 en in Festg. f. Fr. Klein (1914) p. 149 noot 5, 160 (6°), 162—163. Het daar gezegde is m.i. juist, doch zoowel te vereenigen met de in de Inl. bestreden als met de daar voorgestane opvatting en gericht tegen den Duitschen wetgever. Men bedenke dat gezag van gewijsde voor iedereen niet wil zeggen dat ieders rechtsverhouding jegens procespartijen is vastgesteld. Alleen als men dat uit het oog verliest, kan men volhouden dat M.-B.'s leer niet inhoudt het aannemen van gezag van gewijsde voor iedereen (vgl. M.-B. in Festschr. 1. 1. p. 168—170). — Schmidt (boven bij Inl. p. 158 al. 2 geciteerd) geeft p. 761—762 jis p. 771—772 juiste opmerkingen tegen de beide uiterste opinies: die als ware gezag van gewijsde voor iedereen het meest logische (wat b. v. Jèze, bij Inl. p. 276 geciteerd, aanneemt) en die dat de beperking tot partijen het logisch noodzakelijk gevolg der instelling is (leer van Hellwig).

P. 278, noot bij p. 277. — Toevoeging: Tegen Laband ook, in gelijken zin als de Inl., Stein (boven bij Inl. p. 5 no. 1 (geciteerd) p. 90, 102 v. o., 104 v. o.: Josef in Jahrb. f. Dogm. 61 p. 202.

P. 278, noot 2, reg. 2. — Na „omvat" in te voegen: Vgl. Kuttner in Abhandl" zum Priv.recht und Ziv. proz. des Deutschen Reiches 16 (2), 1908, p. 4, 177—181, 186—193 en daarbij Hellwig, Syst. I p. 802 v. o.—804. — Reg. 3. Na „vonnis" in te voegen: in Frankrijk Mazeaud in Rev. trim. de droit civ. 1929 p. 17—56 (p. 51—54 over het gezag van gewijsde van constitutieve vonnissen), in Duitschland zie, enz. (Inl. 1. 1.)

P. 278, noot 2 i. f. — Toevoeging: Ygl. J. Goldschmidt, Der Prozess als Rechtslage (1925) p. 190—191; G. Husserl, Rechtskraft und Rechtsgeltung (1925) p. 127—128, 156—159; A. Merkl, Die Lehre v. d. Rechtskraft (1923) p. 222 v. o.; Coester (boven bij Inl. p. 5 no. 1 geciteerd) p. 60 v. o. Volgens Coester kan wel de in het ongelijk gestelde partij na het vonnis het door

Sluiten