Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 282.

vonnis, dat een zakelijk recht tot voorwerp heeft tegenover derden gezag van gewijsde mist.

P. 282, noot bij p. 281. — In plaats van „nos. 12, 19 en 20" lees: no. 1. — Na „R. O." toe te voegen (verwijzing naar Themis 1920 p. 189 vv., zie speciaal p. 191, 193 noot 152 ja p. 192 noot 150 en vgl. aldaar p. 311).

P. 283, reg. 2 v. b. — Lacoste, 3e dr. p. 521—522 (aangevuld met een noot, die een arrest van Hof Toulouse van 1900 vermeldt).

P. 283, reg. 9 v. b. — In plaats van „is" lees: was. — Na „Sv." in te voegen: 1886

P. 283, reg. 16 v. o. — Art. 391 Sv. 1886, zie nu art. 338 Sv.

P. 284, reg. 8 v. b. — Vgl. boven bij Inl. p. 245.

P. 286. § 3 A. Af deeling 2 (Gebondenheid van den burgerlijken rechter aan administratieve rechtspraak).

P. 287. — Verdere litteratuur: die geciteerd door W. Jellinek, Verwalt.recht, le dr. (1928) p. 289 (daarvan O. Muller p. 189— 195) en Jellinek zelf p. 298—302 ja p. 273 v. b.; F. Fleiner, Institutionen des Deutschen Verwalt.rechts, 8e dr. (1928) p. 270—275 jis p. 269—270; Hatschek (boven bij Inl. p. 197 geciteerd) p. 403—405; Stein (bij Inl. p. 5 geciteerd) p. 100— 102; Kormann in Annalen des Deutschen Reichs 1912 p. 211; L. Spiegel, Die Verwalt.rechtswiss. (1909) p. 100—129 (vgl. O. Mayer in A. ö. R. 25 p. 492—495 en daarbij 27 p. 342—344); Stier-Somlo in Handwörterb. der Rechtswiss. IV (1927) p. 709— 710 (II0), die m. i. ten onrechte het al dan niet gebonden zijn aan eigen beslissing als criterium voor het bestaan van gezag van gewijsde aanneemt. Voorts Goez (bij Inl. p. 69 geciteerd) p. 591—593. — Van O. Mayer zie 3e dr. p. 162—172 jis p. 138— 143, 182 (zijn terminologie „Recht am Urteil" houdt verband met de strijdvraag, of de rechter het gezag van gewijsde al dan niet ambtshalve moet toepassen). Vgl. nog Zorn in Festgabe der Bonner Jur. Fak. f. P. Krüger (1911) p. 527—530; Coester (bij Inl. p. 5 geciteerd) p. 96—97, 101—103; de bij

Sluiten