Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 287.

Inl. p. 151 geciteerde Vereffen tlichungen p. 150 v. o. —151, 155—159 (vgl. p. 228), 209, 220 v. o. 221 jis 226—227. Merkl's opvatting 1. 1. p. 220—221 gaat uit van een andere beteekenis van „Rechtskraft" dan de in Duitschland gebruikelijke en dan die van ons gezag van gewijsde. De leer der Oostenrijkers houdt verband met die, gehuldigd in hun wetgeving, waarop zij wederkeerig invloed hebben gehad.

P. 288, reg. 6 v. b. — Na „231" toe te voegen: Ook het standpunt van Tezner, Theorien (Inl. p. 616 geciteerd) p. 142-203 komt, ondanks den titel van dat hoofdstuk, neer op ontkenning van gezag van gewijsde tegenover de administratie (zie 1.1. p. 156, 158, 161, 164 noot 60, 164 v. o.—165, 167—173, 186 — 187, 200—203). Tegen hem Vitringa in Themis 1905 p. 31—33. Tezner s opvatting op dit punt hangt samen met zijn zienswijze, waarnaar de administratieve rechter ook dan geroepen moet zijn te beslissen, als het algemeen belang den doorslag heeft te geven (vgl. Inl. p. 561).

P. 288, reg. 7—8 v. b. — In plaats van „Tegen -recht" lees:

Vóór het gezag van gewijsde in onze bestaande administratieve rechtspraak W. B. A. 1917 p. 1—2, er tegen

P. 288, reg. 12—13 v. b. — O. Mayer 3e dr. I p. 170 noot 13. — Zie nog Fleiner in Staatsrechtliche Abhandlungen, Festg. f. Laband 1908 II p. 36 v. b.

P. 288, tekst, reg. 12 v. o. — Na „ontwerp" in te voegen: Daarover Sleutelaar in Themis 1912 p. 487 — 502. Vgl. Bijln Handel" Tweede Kamer 1914—1915 no. 47 (1°) § 12.

P. 288, tekst, reg. 1 v. o. — Bij „recht" een noot: Vgl. Landraad Bandjanegara 14 April 1923 Ind. T. v. h. Recht 119 p. 353 voor Javaansch adatrecht.

P. 289, tekst, reg. 4 v. o. — Bij „gelegen" een noot: Ygl. de bij Inl.- p. 292, noot bij p. 291, te vermelden beslissingen Raad van beroep Amsterdam 14 Okt. 1910 en C. R. 14 Maart 1911.

Het Inl. p. 289 gezegde betreft een wettelijke opdracht van rechtspraak. Deze is niet aanwezig bij de z.g. juridiction

Sluiten