Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 294.

verzekeringsplichtigheid had aangenomen) omdat die beslissing door den Ongevallenrechter niet was vernietigd. Op dat punt vgl. hierna bij lal. p. 490. In W. 9197 schijat J. W. M. ia het slot zijaer aanteekening op het arrest H. R. te meenen dat de H. R. ook de overwegingen, waarop de uitspraken van den Ongevallenrechter steunen, voor de rechterlijke macht verbindend oordeelt. Maar al onderscheidt het arrest H. R. (evenmin als de concl. O. M. en J. W. M.) niet tusscheu overwegingen en uitspraak, toch volgt uit het arrest niet noodzakelijk dat de H. R. aan de overwegingeo als zoodauig de rechterlijke macht heeft willen binden. — De lege ferenda vgl. Sleutelaar io Themis 1912 p. 497 jis p. 490—491 en 495 vv.

P. 294, uoot, al. 1. — Na „aa" ia plaats van „i. f." lees: p. 319 v. o.—321 v. b.

P. 295, 48 A. Ged. Staten Friesland 16 Juni 1926 P. V. 1926 p. 210, weigerden de goedkeuring van een Raadsbesluit tot het instellen eener terugvorderiug vau hetgeeu met het oog op art. 205 wet Lager Onderwijs 1920 Stbl. 778 te veel zou zijn betaald eo overwogen daarbij o. a. dat het in strijd is met ons staatsrecht een door den administratieven rechter in hoogsten aanleg besliste zaak opnieuw aan de beoordeeling van den burgerlijken rechter te onderwerpen.

P. 295, no. 49. — Art. 70 Armenwet 1854, zie nu art. 75 (1°) wet 1912.

P. 297, no. 50 i. f. — Io plaats van „D uo. 10" lees: G no. 8ö. — Na „9'' toe te voegen: Ygl. nog Kon. Besl. 12 April 1837 Stbl. 14 en de beslissingen, vermeld lal. p. 370 v. o.—371 v. b.

50 A: Naar aanleiding der nu afgeschafte Distributiewet 1916 heeft Rb. 's-Gravenhage 13 Juni 1922 N. J. 1922 p. 1190, oordeelend over een vordering tegen den Staat tot schadevergoeding wegens onrechtmatige inbezitneming van distributiegoed, welke onrechtmatigheid het Distributiegerecht reeds had uitgesproken, gebondenheid der rechterlijke macht aan die uitspraak aangenomen.

Sluiten