Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 302.

civiel proces, Rb. Rotterdam 4 April 1910 N. J. 1913 p. 485. Met het oog op getuigenverklaringen, in een strafzaak voor een rechter-commissaris afgelegd, heeft Rb. Rotterdam 12 Febr. 1913 N. J. 1913 p. 610 de hier in de Inl. gestelde vraag ontkennend beantwoord, op overweging dat de waarborg van beëediging, die de wet in burgerlijke zaken stelt, dan ontbreekt. Ygl. over de onwaarde van getuigenverklaringen in een vroeger civiel geding voor een later civiel geding, met het oog op de wetsbepalingen over voorloopig getuigenverhoor, Hof's-Gravenhage 30 Maart 1914 W. 9671, N. J. 1914 p. 670. Zie voorts over de verhouding van het bewijs door vermoedens tot dat door geschriften en getuigenverklaringen Meijebs in W. P. N. E. 2304 j° 2303.

P. 302, noot 2, reg. 1 v. o. — Art. 406 Sv. 1886 is niet overgenomen in Sv. nieuw.

P. 303, reg. 6 v. b. — Hierbij een noot: Rb. Alkmaar 7 Maart 1929 W. 12022 schijnt hierover anders te hebben gedacht, zie de aan art. 1954 lid 1 B. W. herinnerende overweging dat het strafvonnis enkel „gezag" heeft voor zijn onderwerp. Yoor het overige is de beslissing der Rechtbank in overeenstemming met de in de Inl. voorgestane leer.

P. 303, noot 2, reg. 2—3. — Lacoste 3e dr. p. 360, respektievelijk p. 460.

P. 303, noot 2, reg. 2 v. o. — Na „idem" in te voegen: Dat doen echter niet allen; zie de interessante noot van Roux bij S. et P. 1914. 1. 49—52 op Cass. crim. 22 Juli 1910. Ygl. voorts Jèze, bij Inl. p. 301 geciteerd.

P. 304, reg. 1—3 v. b. — Lacoste 3e dr. p. 455 en 456.

P. 304, al. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog R. et P. Garraud, Traité théor. et prat. d'instruct. criminelle VI (1929) p. 288—301.

P. 304, noot bij p. 303, — v. Hamel, 4e dr. (v. Dijck, 1927) p. 577 v. o. Aan bedoelde noot toe te voegen: Over het ne bis in idem in strafzaken vgl. nog Binding (bij Inl. p. 18 geciteerd) II p. 314—319, 326-336 (de lege ferenda p. 337 vv.

Sluiten