Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 305.

vaststellen. Toch is die den civielen rechter bindende vaststelling voor de in art. 29 van het Tarief in Strafzaken (oude tekst wet 1874 Stbl. 66, nu Stbl. 1920 no. 695) bedoelde beschikkingen aangenomen door de hier volgende beslissingen van Hof en Rb. 's-Gravenhage, waarbij het Hof van oordeel was dat de in art. 29 aangewezen rechterlijke autoriteiten de daar bedoelde machtiging geven als rechtspraak uitoefenende organen, een stelling, die m. i. zou moeten luiden dat zij de machtiging geven ter gelegenheid van het uitoefenen der strafrechtspraak, maar dan niets bewijst, terwijl zij in het geheel niet opging in de na te noemen zaak, in 1923 door de Haagsche Rechtbank berecht. Hof èn Rechtbank meenden dat, is tegen den Staat een burgerlijke vordering tot schadevergoeding wegens na de machtiging bewerkstelligden verkoop ingesteld op grond dat een der vereischten, die art. 29 voor de machtiging stelt, heeft ontbroken, de burgerlijke rechter dit punt niet mag beoordeelen en daarom de vordering moet ontzeggen. Dit zoowel 1° bij onderhandschen verkoop wat betreft de geringe waarde der goederen als 2° in het algemeen wat betreft de vereischten a dat de machtiging moet zijn gegeven in afwachting van het eindvonnis, & dat de goederen niet aan den eigenaar kunnen worden teruggegeven en, onder den ouden tekst van art. 29 ook c ten aanzien van het bederfelijke der goederen. Zie aangaande 1° en 2°c Hof 's-Gravenhage 22 Juni 1922 W. 11039 p. 3 kol. 3 en het daarbij bevestigde vonnis Rb.'s-Gravenhage 4 Nov. 1919 W. 10585 p. 4 kol. 1—2, N. J. 1920 p. 100, aangaande 2°c ook Rb. 's-Gravenhage 6 Mei 1919 W. 10478, aangaande 2°a en b, in een geval, waarbij niet eens een strafvervolging aanhangig was, zoodat art. 29 ten onrechte toepasselijk werd geacht, Rb. 's-Gravenhage 20 Maart 1923 N. J. 1926 p. 36. Tegen deze beslissingen (waarbij is te vergelijken de naar aanleiding van art. 554 W. v. K. gewezene van Hof Amsterdam 28 Jan. 1916, zie hierna bij Inl. p. 351, no. 81 C), is op te merken dat, al laat genoemd art. 29 aan de

Sluiten