Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 313.

Over de in Frankrijk gehuldigde leer zie noot Roux bij S. et P. 1919. 1. 49—52 en de jurisprudentie, vermeld bij S. et P. 1923. 1. 261—262.

P. 313, tekst, reg. 1 v. o. — Art. 400 Sv. 1886 is niet overgenomen in Sv. nieuw,

P. 314, reg. 2 v. b., reg. 12 v. b., reg. 14 v. b., tekst, reg. 14 en 11 v. o. — De artt. 391 lid 2 394 en 406 Sv. 1886 zijn niet overgenomen in Sv. nieuw. — Bi] art. 391 lid 1 Sv. 1886 vgl. nu art. 338.

P. 314, reg. 8—9 v. b. — De woorden „ook — B. W."

vervallen wegens de intrekking van het bedoelde wetsontwerp.

59 A. H. R. 25 Maart 1918 W. 10262 (met noot D. S.), N. J. 1918 p. 491, nam contra O. M., aan dat een regelmatig tot stand gekomen strafvonnis (hier houdende vervallenverklaring van een verzet tegen een verstekvonnis) voor juist moet worden gehouden zoolang het niet is vernietigd door den daartoe bevoegden rechter. In deze zaak was na de vervallenverklaring nog eens verzet gedaan door den veroordeelde, die beweerde dat het eerste verzet niet van hemzelf was uitgegaan en daarom als van onwaarde had moeten zijn behandeld. Deze bewering nam de Rechtbank, die het verstekvonnis en het vonnis van vervallenverklaring had gewezen, over in een later vonnis, dat de H. R. op dien grond bij genoemd arrest casseerde. — M. i. had Adv.-Gen. Besier gelijk en niet de H. R., die bij dit arrest kennelijk uitging van de meening dat strafvonnissen in het algemeen gezag van gewijsde hebben en den lateren rechter zelfs binden voor de rechtskundige waardeering van een processueel feit, namelijk de geldigheid van het eerste verzet. De Rechtbank was bij haar beslissing op het tweede verzet niet verplicht uit te gaan van die geldigheid. Wèl echter had zij, zooals D. S. 1. 1. opmerkt, zich af te vragen of dit tweede verzet ontvankelijk was, wat hiervan afhing of haar vonnis van vervallenverklaring was gewezen op een verzet van den veroordeelde, daar alleen zulk een verzet de daaraan in het

Sluiten