Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 322.

Soc. Yerz. 1910 no. 19, 4°, Raad v. beroep Amsterdam 31 Dec. 1909 1. 1. 3°.

P. 323, tekst. - Art. 391 lid ] Sv. 1886, nu art. 338. P. 323, noot. — Art. 28 Ongev.wet 1901, nu art. 36, tekst 1921

Stbl. 819. — Aan die noot i. f. toe te voegen: 1854. P. 324, reg. 6 v. b. — Toevoeging: Ygl. Rb. Winschoten 21 Jan. 1921 (zie bij Inl. p. 353, no. 86 A), welk vonnis echter niet de vraag betrof naar gebondenheid aan een beslissing in administratieve rechtspraak.

P. 324, reg. 10 v. b. en reg. 8 v. o. — Art. 391 Sv. 1886, nu art. 338.

P. 325, reg. 4 v. b. — Na „H. R." in te voegen: arresten van

31 Maart 1913 W. 9487, N. J. 1913 p. 841 en van P. 325, reg, 8 v. b. — Bij „1901)." een noot: „De lege ferenda zie Sinninge Damstk in Themis 1911 p. 202—203. Daarbij vgl. Inl. p. 316 noot 2.

P. 326, reg. 12 v. o. - Art. 391 Sv. 1886, nu art. 338. P. 327, reg. 12 v. b. — Na „320" in te voegen het teeken ) P. 327, noot, reg. 2. — Art. 251 Sv. 1886; vgl. nu artt. 528 vv. Sv. P. 328 § 3 A. Afdeeling 5 (Gebondenheid van den strafrechter aan civiele vonnissen.J Bij dit opschrift een noot: Zie Anema, bij Inl. 299, Afd. 3 geciteerd. Vgl. voor Duitschland D. Saunus| Inwieweit ist der Strafrichter an prajudizielle Entscheidungen des Zivilrichters gebunden? Diss. Koningsbergen 1919. Zijn voorstellingen zijn voor een goed deel gebouwd op Hellwig's leer der zuiver processueele werking van het civiele vonnis, waaromtrent zie boven bij Inl. p. 279 noot i. f. Zie voorts Sauer (bij Inl. p. 307 noot geciteerd) p. 209—210; Kuttner (bij Inl. p. 5 no. 2, al. 1 i. f. geciteerd) p. 216—235, wiens opvatting (p. 219) steunt op de Inl. p. 276—277, weergegeven en p. 280 bestreden leer van Laband.

P. 328, reg. 11 v. b. — Na „281" in te voegen: in verband met p. 278—280

P. 329, reg. 5 v. b. — In plaats van „(nu 400) Sv." lees: Sv.

Sluiten