Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 329.

(art. 400 Sv. 1886, niet overgenomen in Sv. nieuw, waarvan vgl. artt. 839 no. 5 j° 344 no. 1)

P. 329, noot. — Garsonnet 3e dr. III no. 705 p. 474 noot.

P. 329, noot, al. 1 i. f. — Toevoeging: Anders is de figuur der zaak, als de strafrechter de vraag heeft te beantwoorden, of verdachte vóór de faillietverklaring had opgehouden te betalen; vgl. Jèze in Rev. du droit public 1913 p. 483 = Principes I p. 314—315 en het daar in een noot vermelde arr. Cass. 23 Nov. 1827 S. 1827. 1. 706; Lacoste no. 1318.

P. 330, reg. 4 v. b. — In plaats van „is" lees: 1886 was

P. 330, al. 3. — Lacoste 3e dr. p. 493 eh 497. — Toevoeging aan al. 3: Vgl. Garratjd (bij Inl. p. 304 geciteerd) VI p. 271—275; Cass. 10 Maart 1905 S. et P. 1908.1. 57; 18 Juni 1925 S. et P. 1926. 1. 92 (met noten 1—2); Hof Dyon 6 Juli 1928 D. hebd. 1928 p. 550. Voor Duitschland vgl. Stein (bij Inl. p. 5 geciteerd) p. 102 v. o.—103; Hellwig, Syst. I p. 788—789 (2) en bij die p. 789 v- b. vgl. Goldschmidt in Arch. f. d. civ. Prax. 117 p. 14—17, 20—24 en zijn bij Inl. p. 278 noot 2 geciteerd werk, p. 205 noot 1138.

P. 331, tekst, reg. 7 v. o. — Na „V' in te voegen: Jellinek (Inl. p. 443 geciteerd) p. 138 i. f.; Kuttner (bij Inl. p. 5no. 2 al. 1 i. f. geciteerd) p. 72, 233—235.

P. 332, al. 1. — Art. 6 Sv. 1886, nu art. 14.

P. 332, reg. 2 v. b. — Bij „564" een noot: Korte opmerkingen over § 261 S. P. O. geeft Binding (bij Inl. p. 18 geciteerd) II p. 353 noot 24, p. 359 noot 109. Afgezien van die § 261 vgl. 1.1.

p. 356 noot 102.

P. 332, al. 2, reg. 5. —Bij „toebehoort" een noot: Wat hiertegen wordt aangevoerd door Lent (bij Inl. p. 171 no. 7 geciteerd) II p. 270 a, is m. i. onjuist. Tegen B, die partij was in het eerste geding, kan A wel degelijk een t weede proces op zijn eigendom doen steunen, zonder dat B dit nog met vrucht kan bestrijden. Stelt A tegen derden de eigendomsvordering in, dan kunnen zij A's eigendom ontkennen. Ook wat Lent op de daar volgende

Sluiten