Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 339.

teerd) p. 29—30. Voor Frankrijk zie D. P. 1930. 3. 2; Jèze in Rev. du droit public 1913 p. 487 v. o.—489 v. b., Principes 3e dr. I p. 322—325. — Vgl. nog boven bij no. 67 i. f.

B. (Gebondenheid van den staatsrechter aan korporatieve rechtspraak).

P. 339, tekst, reg. 3 v. o. — In plaats van „14 i. f." lees: 4. — Toevoeging: Gemeld vonnis van 1873 was zelfs van oordeel dat de in het reglement eener societeit aan haar bestuur gegeven opdracht tót berechting van geschillen over de uitlegging van het reglement de competentie der rechterlijke macht uitsloot voor een vordering, waarbij van haar die uitlegging werd gevraagd. Daarentegen achtte Rb. Dordt 28 April 1909 W. 8950 (vgl. ook boven bij Inl. p. 241 al. 3) de rechterlijke macht niet gebonden aan de uitlegging der statuten eener coöperatieve vereeniging door haar bestuur, hoewel de Rechtbank de geldigheid der opdracht aan het bestuur tot bindende uitlegging van de statuten aannam, terwijl uit de argumenteering in het vonnis met art. 2 R. O. is op te maken dat de Rechtbank die uitlegging als rechtspraak aanmerkte. Vgl. Themis 1920 p. 31—32 en aangaande het arrest in cassatie, H. R. 8 April 1910, Themis 1919 noot 12 op p. 438—439. Evenals de tegenwoordige jurisprudentie ging ook toen de H. R. uit van het standpunt dat statuten overeenkomsten zijn. Huldigt men op laatstbedoeld punt daarentegen de leer van P. Scholten c. s., dan hangt m.i. ineen geval gelijk dat berecht door het Dordtsche vonnis, het al dan niet gebonden zijn der rechterlijke macht aan de uitlegging van het bestuur hiervan af of de vordering is ingesteld door een lid, dan wel, zooals in 1909 het geval was, door een oud-lid. Want aan de beslissing van het bestuur zijn bij gemis van contractueelen band wèl de leden, maar niet gewezen leden gebonden. Zelfs bij de contractueele leer is het mogelijk vol te houden dat het contract van toetreding als lid, voorzoover niet blijkt van het tegendeel, slechts beoogt onderwerping aan de reglementen voor den duur van het lidmaatschap, zoodat in de zaak van 1909, al kon het

Léon's Rspr., II, 1, R. O., s. 10

Sluiten