Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 351.

aan het administratief gezag, zoodat deze beslissing bindend is voor den burgerlijken rechter. In dien geest zal het rekening houden van den H. R. zijn te verstaan. Gemeld arrest verwierp de cassatie tegen Hof Amsterdam 1 Mei 1916 W. 10029, waarbij Rb. Amsterdam 1 Maart 1915 W. 9S37, N. J. 1915 p. 820, W. P. N. R. 2366 was bevestigd. Hof en Rechtbank hadden op een vordering tot schadevergoeding, door een huiseigenaar tegen zijn buurman ingesteld wegens het in strijd met artt. 1 en 14 der Hinderwet gebruiken van diens eigendom, eveneens overwogen dat, nu het betrokken gemeentebestuur had verklaard dat voor de door eischer onrechtmatig geachte uitbreiding van gedaagdes inrichting geen vergunning overeenkomstig de Hinderwet werd vereischt, dit oordeel, als gegeven door het bij de wet tot het geven der vergunning aangewezen administratief gezag, bindend is voor den rechter, die de juistheid van dat oordeel niet heeft te onderzoeken. — M. i. is deze stelling uit geen bepaling der Hinderwet af te leiden. Wel is voor het verleenen of weigeren der vergunning de overweging van het administratief gezag noodig, of die vergunning door de wet wordt vereischt.

. Maar aan dat gezag geeft de Hinderwet enkel de eindbeslissing omtrent het al dan niet verleenen, niet ook over de vraag, of de wet een vergunning vereischt. Die vraag moet m. i. de rechterlijke macht zelfstandig beoordeelen, al kan zij geen vergunning verleenen of weigeren. Zouden H. R., Hof en Rechtbank hun stelsel ook hebben gehuldigd bij een strafvervolging, steunend op art. 22a Hinderwet? Die bepaling stelt strafbaar het hoofd der onderneming, dat zonder de vereischte vergunning een inrichting, als in art. 2 omschreven, in werking brengt. Ook dan is de rechter niet gebonden aan hetgeen het administratief gezag op dit punt heeft beslist, al is bij die beslissing overwogen dat er geen vergunning was vereischt. Slechts dan zou het anders kunnen zijn, als de leer van M. M. van Praag, De Hinderwet (1928) p. 14—15 en in Themis 1929 p. 236—237, 239—240, over het karakter der beslissingen van hetadminis-

Sluiten