Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 351.

tratief gezag aangaande vergunningen, speciaal bij de Hinderwet, volgens welke leer deze beslissingen rechtspraak zijn, opging. Gemelde leer is terecht bestreden door Scheltema in W. 12001 p. 4 kol. 2. - In het algemeen over de vraag, of de rechterlijke macht gebonden is aan administratieve beslissingen, gegeven ingevolge de Hinderwet, zie M. M. v. P. in W. v. G. 6 P- 49—51 en in Gem.bestuur 7 p. 506—540, waarbij vgl. zijn opstel in Themis 1929 p. 237—246 en zijn De Hinderwet p. 15—17. Hij meent, anders dan de door hem G.b. 7 p. 523—526 vermelde jurisprudentie en dan Vos in W. v. G. 2 p. 1—2 dat na de ingevolge de Hinderwet gegeven vergunning een vordering wegens hinder, steunend op art. 625 of op art. 1401 B. W. niet meer kan slagen (vgl. mijn R. O. p. 39). Een der grondslagen dezer meening is zijn zooeven bedoelde leer.

81 B. In een geding over de Rijksbijdrage aan de gemeenten krachtens art. 48 der wet op het Lager Onderwijs [tekst Stbl. 1905 no. 219, gewijzigd Stbl. 1910 no. 202, zie nu artt. 56 vv. wet 1920 Stbl. 778, gewijzigd Stbl. 1928 no. 38] zijn Staat en gemeente als partijen, en dus ook de rechter, niet gebonden aan de vaststelling der bijdrage door den Minister, daar niet die vaststelling, maar de wetsbepalingen de bron der bijdrage zijn, terwijl, zou alleen de Minister de gronden, leidend tot de vaststelling, hebben te beoordeelen, die beoordeeling rechtspraak zou zijn, wat enkel zou opgaan, als de wet het bepaalde.

Hof 's-Gravenhage 4 Nov. 1918 W. 10378, W. B. A. 3651, bevestigend Rb. 's-Gravenhage 15 Febr. 1916 W. 10060, N. .T. 1916 p. 940, W. B. A. 3558 (3556). Dit vonnis overwoog nog dat, al was de tegengestelde opvatting als vanzelfsprekend aangenomen bij de behandeling der wet van 8 Dec. 1889 Stbl. 175, zij toch niet kan gelden, nu zij niet in de wet is neergelegd, daar zij 's rechters taak beperkt. Maar de Rechtbank oordeelde anders ten aanzien van de Rijksbijdrage voor het bijzonder lager onderwijs naar de toen geldende wet L. O. en ten aanzien der uitkeering van het Rijk aan de gemeenten ingevolge de

Sluiten