Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 851.

wet van 1897 Stbl. 156 (die 1 Jan. 1931 vervalt: artt. 32 en 39 wet 1929 Stbl. 388), omdat voor beide gebondenheid van den rechter aan de administratieve beslissingen uit de betrekkelijke wetsbepalingen volgt. De Rechtbank voegde er bij: een algemeene maatregel kan die gebondenheid niet voorschrijven.

81 C. Aan de in een krachtens art. 554 W. v. K. door Ged. Staten aan een strandvonder gegeven autorisatie tot verkoop van strandgoed vervatte beslissing dat de in gemeld artikel voor den verkoop gestelde vereischten aanwezig waren, is de rechter gebonden, daar anders de autorisatie beteekenis zou missen.

Hof Amsterdam 28 Jan. 1916 W. 9927, N. J. 1916 p. 997. — M. i. heeft de autorisatie wel de strekking te waken voor de belangen van den eigenaar, maar volgt daaruit niet noodzakelijk dat men zich bij de rechterlijke macht niet kan beroepen op een feitelijke dwaling van Ged. Staten. — Vgl. boven no. 54 A (bij Inl. p. 305) over administratieve beschikkingen

van den strafrechter.

P. 351, tekst, reg. 2 v. o. — Na „222" in te voegen: , vgl. wet

1909 Stbl. 416

P. 352, reg. 5 v. b. — Bij „ontlast," een noot: Art. 10 wet 1909 Stbl. 416 heeft aan art. 222 lid 1 Gem.wet de woorden toegevoegd: behoudens later in rechten gebleken valschheid

in bewijsstukken.

P. 352, no. 82 i. f. — Toevoeging: Het arrest H. R. van 17 Mei 1907 is kennelijk gevolgd door Hof Amsterdam 17 Maart 1925 W. 11355, G.st. 3852 (10°), "W. v. G. 4 p. 233, met de gevolgtrekking dat de burgerlijke rechter niet mag uitmaken of een gemeente-ontvanger als zoodanig minder heeft verantwoord dan hij had ontvangen. Zie voorts Hof's-Hertogenbosch 6 Juli 1925 W. 11463, N. J. 1926 p. 634: krachtens de Gem.wet is de door een gemeenteontvanger aan B. en W. afgelegde en door Ged. Staten goedgekeurde rekening de eenige bron, waaruit de burgerlijke rechter het bewijs kan putten of des ontvangeis

Sluiten