Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ö4J

P. 352.

rekenplichtig beheer een voor hem nadeelig slot oplevert. Naar aanleiding van een vordering eener gemeente tegen haar ontslagen ontvanger ter betaling eener som als te weinig verantwoord was Rb. Leeuwarden 14 Nov. 1929 W. 12101 van oordeel 1° dat de rechter, hoewel hij niet de vraag mag onderzoeken of de ontvanger door hem geïnde posten onverantwoord heeft gelaten, daar dit behoort tot het terrein van het administratief gezag, op dit punt mag uitgaan van de erkentenis van den ontvanger, terwijl toewijzing dier vordering geen wijziging brengt in de door Ged. Staten vastgestelde rekening. En 2° nam dit vonnis aan dat de rechter niet mag onderzoeken of bij het vaststellen der rekening het administratief gezag een verzuim heeft begaan. — Rb. Breda 25 Okt. 1927 W. 11816, N. J. 1928 p. 139], overwoog dat uit de goedkeuring door Ged. Staten met het oog op art. 222 Gem.wet wel volgt o. a. dat vaststaat het bij den ontvanger gestort zijn van de in de rekening verantwoorde gelden, maar niet dat die gelden zijn voldaan door den schuldenaar, zoodat de Burgemeester ontvankelijk is in een tegen dien schuldenaar alsnog ingestelde vordering tot betaling.

P. 352, tekst, reg. 4 v. o. — Na „260" in te voegen: oud (vgl. art. 11 wet 1920 Stbl. 923, art. 27 wet 1929 Stbl. 388)

P. 352, tekst, reg. 1 v. o. — Toevoeging: Gelijke beslissing voor een niet wettig opgemaakt, maar door Ged. Staten goedgekeurd kohier in het boven no. 79 C vermelde vonnis Rb. Almelo van 13 Juni 1923.

P. 353, al. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. het bij Inl. p. 207 vermelde arrest Hof Amsterdam van 26 Juni 1914, uit welks overweging aangaande bij de Rijksverzekeringsbank bestaande meeningen is af te leiden dat het Hof, ook al ware een beslissing dier Bank in het geding gebracht, zich daaraan niet gebonden zou hebben geacht.

85 A. Vgl. Inl. p. 670—671 (XVIII no. 10).

Sluiten